Daemonia

Uit­ge­ver: Lui­tingh-Sijt­hoff
Engel­se titel: Sel­ling Out

Recen­sie: Fantasyboeken.org

Daemonia

Justina Robson

De Quan­tum­Bom ver­an­der­de alles, voor­goed. Het weef­sel tus­sen de dimen­sies werd kapot­ge­scheurd en sinds­dien is onze wereld toe­gan­ke­lijk voor elfen, demo­nen en gees­ten… en staan hun werel­den voor ons open. Spe­ci­al agent Lila Black werd ook aan stuk­ken gere­ten. Sinds­dien bestaat ze voor een deel uit kunst­stof en metaal en is ze door elfen­ma­gie gete­kend. Als ze ook maar even wordt las­tig­ge­val­len, ver­an­dert ze – soms vol­strekt tegen haar zin – in een vecht­ma­chi­ne die moei­lijk is tegen te hou­den. Ze heeft het er behoor­lijk moei­lijk mee: af en toe weet ze niet eens meer wie ze wer­ke­lijk is, of wat… En dat gebeur­de alle­maal voor­dat ze een inter­na­ti­o­na­le rock­ster als vriend kreeg die een krui­sing is tus­sen een Elf en een Demon. Een reis naar de hel is pre­cies wat Lila op dit moment nodig heeft. De hel is Dae­mo­nia, dat wijd en zijd bekend­staat als het hart van de kun­sten, van zin­tuig­lijk genot, van sen­su­a­li­teit en van zaken van groot poli­tiek belang. Anders gezegd, Dae­mo­nia is tege­lijk won­der­schoon en ver­schrik­ke­lijk. Het is een plek waar Lila heel wat kan ver­wach­ten, en dat klopt ook: van huwe­lijks­aan­zoe­ken tot uit­da­gin­gen voor een duel, er wordt zelfs een aan­slag op haar gepleegd. Dat laat­ste over­tuigt Lila ervan dat Dae­mo­nia zo moge­lijk nog gecom­pli­ceer­der in elkaar steekt dan ze ooit had kun­nen voor­zien en dat een leven er van nul en gener­lei waar­de is, en dat geldt ook dat van haar.

Uit­ge­ver: Lui­tingh-Sijt­hoff
Engel­se titel: Sel­ling Out

Recen­sie: Fantasyboeken.org

fragment

4

Lila zat in de Gro­te Bibli­o­theek van Baths­he­bat, kau­wend op het uit­ein­de van haar pot­lood. Ze bevond zich in een eigen toren­tje en zat ach­ter een half­rond bureau van uit­mun­tend vak­man­schap, met per­ka­ment­rol­len en open­ge­sla­gen boe­ken voor haar neus. Er rees een vage mist van kleu­ren en geu­ren op van de blad­zij­den en runen, die zich ver­weef­de tot een schit­te­ren­de slui­er. Door dit vlecht­werk heen kon ze nog dui­de­lijk de prach­tig gewelf­de ramen van het toren­tje onder­schei­den, die uit­zicht boden op de vele torens, balus­tra­des, pina­kels, koe­pels, mina­ret­ten, spit­sen en daken van de stad. Juweel­ach­tig email en gekleur­de tegels schit­ter­den in al hun pracht en praal onder de saf­fier­blau­we lucht. Er heerste een over­vloed aan schoonheid.(…) 

[Ineens] werd ze zich bewust van Taths aan­we­zig­heid. Hij had mis­bruik gemaakt van de paar minu­ten stil­te en het feit dat ze was afge­leid en had zich stil­le­tjes uit­ge­strekt naar haar lede­ma­ten om voor­zich­tig con­tact te maken met de lucht. 

‘Oppas­sen jij,’ mom­pel­de Lila. ‘Je gaat mijn ver­schij­ning niet zit­ten betoveren.’ 

Ik pas wel op, zei Tath vlak onder haar huid. En het zal las­tig wor­den om nog iets van je kos­tuum te kun­nen maken. De zus van Zal heeft een afschu­we­lijk slech­te smaak. Bij­na net zo slecht als de Feeën.

Lila bekeek zich­zelf eens goed. Ze droeg een jurk die men in Oto­pia zou dra­gen bij het dan­sen van de tan­go. Hij was laag uit­ge­sne­den, had een hoge split en sloot nauw om haar lichaam. Waar de stof haar huid raak­te was deze bedekt met glit­ters die door­lie­pen op haar blo­te armen en benen. Haar armen zagen er gespierd en gebruind uit. De jurk kwam tot aan de knie, met daar­on­der het zil­ve­ren metaal waar­van haar benen waren gemaakt. Sor­cha had erop aan­ge­dron­gen dat dit beter was dan alle laar­zen die hier in de stad te krij­gen waren. Lila’s tan­ki­ni-ach­ti­ge, don­ker­blau­we onder­goed scheen door de ver­schei­de­ne laag­jes dun­ne tur­kooi­zen stof heen. Ze droeg genoeg make-up op haar ogen om een Goth jaloers te maken, dacht ze bij zich­zelf. Ze was het plak­ke­ri­ge gevoel niet gewend en moest zich bedwin­gen om in haar ogen te wrijven. 

‘Laat me raden,’ zei ze, toe­kij­kend hoe een klei­ne sliert van zijn gras­groe­ne andal­u­ne min­ach­tend een stuk­je van de stof opwip­te. ‘Je zou er nog niet dood in wil­len wor­den gevonden.’ 

Ah, en bij­pas­sen­de sne­dig­heid. Heeft nie­mand je ooit ver­teld hoe fan­ta­sie­loos het is om alle acces­soi­res op elkaar af te stemmen?

Lila kreeg het gevoel – niet van zich­zelf, maar van­uit Tath – dat hij zich kos­te­lijk amu­seer­de. ‘Jij mag hem straks aan­pas­sen,’ beloof­de ze. 

‘O… dank je,’ klonk een stem zo dor als dode bla­de­ren ach­ter haar. 

Voor ze ook maar de kans had om in bewe­ging te komen, flits­te er iets over haar hoofd en gleed om haar nek. Het was wel erg glad en fel­ge­kleurd voor een wurg­touw, bedacht ze. 

De tijd ver­traag­de, zoals altijd op die momen­ten dat alleen han­de­lin­gen van belang waren, nog eens ver­sterkt door Lila’s pro­ces­sors die haar denk- en bewe­gings­snel­heid opvoer­den tot het boven­men­se­lij­ke. Voor­dat het lan­ge dun­ne touw de kans kreeg om strak te trek­ken, duw­de ze de vin­gers van haar rech­ter­hand eron­der. Toen voel­de ze dat het hele­maal geen gewoon touw was, maar een pezig, vreemd soort orga­nisch weef­sel. Er stond ech­ter gro­te kracht op en al snel wer­den haar eigen knok­kels in haar hals gedrukt. Als haar vin­gers van vlees en bloed waren geweest, zou­den ze vast en zeker door­mid­den zijn gesne­den. Maar ze waren niet van vlees en bloed en ze zwicht­ten niet onder de ver­schrik­ke­lij­ke druk van deze moor­de­naar. De tere huid van haar hand werd zo hard als metaal en ze greep het wurg­touw ste­vig vast. Toen, met een soort opge­wek­te fel­heid te mid­den van de reeks van gevechts­han­de­lin­gen die ze uit­voer­de, trok Lila aan het touw. 

Er trok een bit­te­re kou door haar linkerschouder. 

Op het­zelf­de moment voel­de ze hoe Tath zich terug­trok tot niet meer dan een groe­ne sin­tel in haar borst. Hij fluis­ter­de zacht­jes, als­of het zijn laat­ste adem­tocht was: Dode­lijk ver­gif in de steek­wond. Dit is geen spel­le­tje of stoei­par­tij. Toon geen genade.

© 2009 Lui­tingh Fantasy

Shopping Basket