De dag van de doden

Co-ver­ta­ler: Els van Son
Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: 
Day of the Dead

Recen­sies: Trouw, Vrij Nederland, Lees Magazine, Chicklit
Arti­ke­len: Volkskrant, Boekenkrant
Best­sel­ler 60:
22 weken (hoog­ste note­ring: 1)

De dag van de doden

Nicci French

De bla­de­ren val­len van de bomen en in Lon­den waart een serie­moor­de­naar rond. In een win­kel­straat in het noor­den van de stad crasht een op hol gesla­gen auto, de man ach­ter het stuur blijkt al een week eer­der te zijn ver­moord. Op Hampstead Heath brandt een vuur­sta­pel, in de vlam­men ligt het vol­gen­de slacht­of­fer. Het aan­tal doden neemt snel toe, maar het poli­tie­on­der­zoek loopt vast: het is dui­de­lijk dat de dader een spel speelt. Voor deze oncon­ven­ti­o­ne­le moor­de­naar dient elk lijk slechts als bood­schap aan één vrouw. Psy­cho­a­na­ly­ti­ca Frie­da Klein is name­lijk onder­ge­do­ken, en iemand is naar haar op zoek. Wan­neer het duel tus­sen Frie­da en haar aarts­vij­and Dean Ree­ve uit­ein­de­lijk zijn cli­max bereikt, kan slechts één van hen het overleven…

Co-ver­ta­ler: Els van Son
Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: 
Day of the Dead

Recen­sies: Trouw, Vrij Nederland, Lees Magazine, Chicklit
Arti­ke­len: Volkskrant, Boekenkrant
Best­sel­ler 60: 22 weken (hoog­ste note­ring: 1)

fragment

29

Chloë bleef vaak tot laat in de meu­bel­ma­ke­rij. In de avond­uren werk­te ze aan haar eigen pro­jec­ten. Ze was al een tijd­je bezig met een klei­ne tafel voor Frie­da. Hij was gemaakt van een gou­diep, die niet was bezwe­ken aan de ziek­te die de mees­te iepen in het land had geveld, maar die was omge­waaid in een storm. Ver­vol­gens was hij tot plan­ken gezaagd en naar de werk­plaats gebracht, waar hij maan­den had gele­gen en een rij­ke, gist­ach­ti­ge geur had ver­spreid ter­wijl het sap er lang­zaam uit­droop. Chloë had twee van de breed­ste plan­ken apart gelegd en was aan de slag gegaan zodra die waren gedroogd. Vlak nadat ze aan haar oplei­ding tot meu­bel­ma­ker was begon­nen, had Frie­da gezegd dat ze ooit maar eens een tafel voor haar moest maken. Als Chloë hier­mee bezig was, kon ze het gezicht van haar tan­te bij­na voor zich zien. 

Maar de afge­lo­pen tijd was ze voor­al bezig geweest met Frieda’s dak­ter­ras. Deze avond had ze de leu­ning van de balus­tra­de zo glad­ge­schuurd dat de knoes­ten in het hout bij­na leken te gloeien. 

Het was al don­ker toen ze ver­trok; de dagen wer­den kor­ter. Nog even en het is weer win­ter, dacht ze bij zich­zelf. Ze dacht niet graag aan het ver­strij­ken van de tijd, aan het wis­se­len van de sei­zoe­nen. Toen Frieda’s ver­dwij­ning pas dagen – en weken – gele­den was, kon ze zich­zelf nog voor­hou­den dat haar tan­te snel zou terug­ko­men. Maar de weken wer­den maan­den. De bla­de­ren waren van de bomen geval­len en lagen nu in nat­te hoop­jes op de grond. Het was pas okto­ber, maar de win­kels ston­den alweer vol met kerstspullen. 

De klei­ne straat was bij­na ver­la­ten. Er stond alleen een vrouw op de hoek, onder een pla­taan. Ze had kort, zil­ver­grijs haar en een bril met een dik mon­tuur, en ze droeg een grij­ze, hoog­ge­slo­ten jas en laar­zen. Toen Chloë dich­ter­bij kwam, draai­de de vrouw zich om en liep voor haar uit, maar lang­zaam, zodat ze spoe­dig op gelij­ke hoog­te kwamen. 

‘Hal­lo,’ zei de vrouw. 

Er trok een ril­ling door Chloë’s lijf, als­of ze ineens kou had gevat. Ze kreeg kip­pen­vel. Toen keek ze opzij naar de vrouw naast haar. ‘O,’ zei ze op een uit­a­de­ming, waar­door de uit­roep klonk als een zucht. 

‘Niets zeg­gen en gewoon door­lo­pen. Ik blijf niet lang.’ 

‘Ik kan het niet aan als je weer weg­gaat,’ zei Chloë. 

‘Ik ga zo weer weg, en dat kun je wel aan.’ 

Frie­da stak haar hand uit en pak­te die van Chloë. Zo lie­pen ze ver­der, met gelij­ke tred. 

‘Hoe gaat het met je? Waar heb je geze­ten? Wan­neer kom je naar huis?’ 

‘Ik heb hulp nodig.’ 

‘Zeg maar wat ik kan doen.’ Chloë her­in­ner­de zich dat ze eens een bak­steen door een ruit had gegooid om Frie­da een gebouw in te helpen. 

‘Ik heb een slaap­plaats nodig. Een onop­val­len­de plek. Een leeg­staand appartement.’ 

‘Blijf bij mij loge­ren. Ik bescherm je wel.’ 

‘Nie­mand mag me zien en nie­mand mag het weten. Ik dacht dat jij mis­schien wel vrien­den ken­de, of vrien­den van vrien­den, die op reis zijn of iets der­ge­lijks. Het is maar voor even.’ 

Chloë dacht na. ‘Ik heb een idee,’ zei ze. 

‘Ja?’

‘Een van mijn huis­ge­no­ten zorgt voor de kat­ten van haar ouders. Die zijn op vakan­tie. Maar mijn huis­ge­noot klaagt er steeds over. Ze is aller­gisch voor kat­ten en het is hele­maal aan de ande­re kant van Lon­den. Ik kan haar om de sleu­tels vra­gen en zeg­gen dat ik het wel wil doen. Dan zeg ik gewoon dat ik een klus in de buurt heb.’ 

‘Waar is het?’ 

‘Vlak bij Cable Street.’ 

‘Weet je het adres?’ 

‘Ik ben er een paar keer geweest: Vin­cent Street 3. Ga met mij mee naar huis, dan haal ik de sleu­tels en…’ 

‘Nee. Leg ze voor mid­der­nacht bui­ten onder een steen of een bloem­pot, dan vind ik ze wel.’ 

‘O,’ zei Chloë teleurgesteld. 

‘En Chloë?’

‘Ja?’

‘Kom niet langs.’ 

‘Dus ik weet waar je bent, maar ik mag niet bij je in de buurt komen?’ 

‘Pre­cies.’

‘Dat is belachelijk.’ 

‘Als ik je niet kan ver­trou­wen, ga ik wel ergens anders naartoe.’ 

‘Je kunt me vertrouwen.’ 

‘Bedankt.’

‘Maar is dat alles wat ik voor je kan doen? Er is vast nog wel iets.’ 

‘Dat is alles.’ 

‘Blijf nog even.’ 

‘Ik zal met je mee­lo­pen tot aan de hoofdweg.’ 

‘Het is net als­of ik een spook zie. Oli­via doet als­of je al dood bent.’ 

Frie­da glim­lach­te. Ze kneep even in Chloë’s hand. ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze zacht. ‘Hoe gaat het met iedereen?’ 

‘We mis­sen je. We maken ons zor­gen. We wil­len je helpen.’ 

‘Je helpt me ook.’ 

‘Blijf je daar? Kan ik je daar opzoe­ken als ik je drin­gend moet spreken?’ 

‘Nee, je mag me niet opzoe­ken. En ik blijf er ook niet lang. Ik ken iemand die een vei­li­ge­re plek voor me kan regelen.’ 

‘Wie?’

‘Iemand met hoog­ge­plaatste vrien­den. Je hoeft ver­der geen namen te weten.’ 

‘Oké,’ zei Chloë. Toen: ‘Mag ik de ande­ren ver­tel­len dat ik je heb gezien?’ 

‘Nee. Dit blijft tus­sen jou en mij.’ 

Ver­der­op zag Chloë de hoofd­weg. Ze begon lang­za­mer te lopen. ‘Je gaat toch niet dood, hè?’ vroeg ze. 

‘Als het aan mij ligt niet. Praat me eens bij.’ 

‘Reu­ben lijkt in orde,’ zei Chloë ter­wijl ze nog meer begon te dra­len. ‘Zijn haar groeit terug. Het krult hele­maal. Alexei doet het goed op zijn nieu­we school, maar hij is nog wel een beet­je ver­le­gen en Josef maakt zich zor­gen om hem. Sas­ha is nog niet terug, maar ik denk dat ze er met de kerst wel weer is. Jack is typisch Jack, hij doet ont­zet­tend lief. Kijk me niet zo aan, we zijn niet weer bij elkaar, al denk ik soms wel… Nee, laat maar. Er wordt voor je kat gezorgd als­of jij het zelf bent. Ieder­een koopt snoep­jes voor haar, dus ze wordt een beet­je dik. Josef gaat bij­na dage­lijks naar je huis om te kij­ken of alles in orde is en om ver­se bloe­men neer te zet­ten en je plan­ten water te geven.’ 

Chloë aar­zel­de even. Moest ze Frie­da ver­tel­len waar Josef nog meer mee bezig was? De vori­ge keer dat ze naar het huis was geweest, waren Josef en Ste­fan de vloer­plan­ken aan het ver­wij­de­ren om bij de bal­ken te kun­nen komen. Moest Frie­da dat weten, of was het juist beter als ze het niet wist? Hoe dan ook, ze moest blij­ven pra­ten. Frie­da kon niet weg­gaan zolang ze bleef pra­ten. ‘Oli­via heeft een boek over oprui­men gele­zen en zo’n twee­hon­derd vuil­nis­zak­ken vol troep weg­ge­gooid. Karls­son heb ik niet meer gezien. Op mijn werk gaat het vol­gens mij wel goed. Ik heb het naar mijn zin. Ik zou geen goe­de arts zijn geweest, maar ik ben wel een goe­de meubelmaker.’ 

Ze bereik­ten de hoofd­weg. Chloë bleef staan. 

‘Wil je me iets belo­ven?’ vroeg ze. 

‘Nou?’

‘Als je terug­komt, wil je je haar dan weer don­ker kleu­ren en lang laten groei­en? Dat staat je veel beter.’ 

Frie­da lach­te. ‘Dat beloof ik.’ Ze gaf Chloë een zet­je. ‘Zorg dat de sleu­tels er voor mid­der­nacht lig­gen. Ga nu maar.’ 

‘Maar…’

‘Het blijft ons geheim.’ 

‘Ik zeg niets,’ zei Chloë met tril­len­de stem. Maar Frie­da liep al weg. Chloë keek haar na. ‘Ik ben een klei­ne tafel voor je aan het maken,’ riep ze haar na. ‘Voor als je terug­komt. Van iepenhout.’

Shopping Basket