de kat en de stad

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: The Cat and the City
Sub­si­die: projectsubsidie Nederlands Letterenfonds
Recen­sies:

De kat en de stad

Nick Bradley

Een lap­jes­kat beweegt zich geruis­loos door de stra­ten van Tokio. Op elk nieuw pad dat ze kiest, raakt ze het leven van enke­le ogen­schijn­lijk wil­le­keu­ri­ge bewo­ners van de mil­joe­nen­stad, en ze ver­bindt hen op onver­wach­te wij­ze. Maar de stad ver­an­dert en de kat wordt lang­zaam maar zeker ver­dre­ven naar de ach­ter­buur­ten. Daar komt ze in aan­ra­king met enke­le out­casts, van een dak­lo­ze die zich schuil­houdt in een ver­val­len hotel en een klui­ze­naar die zijn huis niet uit durft tot een buurt­win­kel­be­dien­de op zoek naar de lief­de. De kat cir­kelt om hen heen, en brengt hen onge­merkt dich­ter bij elkaar. In een serie beto­ve­ren­de, met elkaar ver­we­ven ver­ha­len, in stijl vari­ë­rend van man­ga tot illu­stra­ties met bij­schrif­ten, schrijft Nick Brad­ley over inter­ac­tie en ver­wij­de­ring, over­le­ven en zelf­des­truc­tie, de wens ergens bij te horen en de behoef­te om te ont­snap­pen. De kat en de stad is een ele­gan­te roman over de ande­re, min­der beken­de kant van Tokio. Inven­tief en met een speel­se poli­tie­ke boodschap.

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: The Cat and the City
Sub­si­die: projectsubsidie Nederlands Letterenfonds
Recen­sies: HebbanMezza (pdf)

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: The Cat and the City
Sub­si­die: projectsubsidie Nederlands Letterenfonds
Recen­sies:

fragment

Chinese karakters

Flo voel­de zich niet pret­tig bij de man die tegen haar aan stond gedrukt in de trein­wa­gon, dus besloot ze uit te stap­pen op sta­ti­on Shin­ju­ku en een paar wagons op te schui­ven, naar het rij­tuig spe­ci­aal voor vrou­wen. Ze baan­de zich een weg over het per­ron, zig­zag­de tus­sen de foren­zen die de trein uit stroom­den en ont­week de lan­ge rij men­sen die stond te wach­ten om in te stappen. 

De Yama­no­te-lijn was altijd druk in de och­tend, en het rij­tuig spe­ci­aal voor vrou­wen was meest­al de vol­ste wagon van de hele trein. Flo pro­beer­de die dan ook zo veel moge­lijk te ver­mij­den en ze had al een tijd­je niet meer zo’n inci­dent als van van­daag mee­ge­maakt. Toen ze aan­sloot in de rij vrou­wen die wacht­ten om in te stap­pen, hoor­de ze de opna­me van tjil­pen­de en flui­ten­de vogels die op het per­ron werd afge­speeld en het ver­trouw­de muziek­je van sta­ti­on Shin­ju­ku. Het waar­schu­wings­sig­naal klonk om aan te geven dat de trein zou ver­trek­ken en ze wurm­de zich naar bin­nen tus­sen de mas­sa van vrou­wen­lij­ven. Zodra ze met de ande­re pas­sa­giers was inge­stapt, werd ze over­spoeld door een golf van gekoel­de lucht en moest ze licht kok­hal­zen van de scher­pe men­gel­moes van par­fums en sham­poog­eu­ren die werd rond­ge­pompt door de beperk­te adem­ruim­te boven de hoof­den. Ze pro­beer­de niet te den­ken aan die keer dat ze in de trein was flauw­ge­val­len toen ze net naar Tokio was ver­huisd. Hoe gênant. 

Met haar gezicht tegen de gla­zen ruit keek ze rond over het per­ron. Daar hing de beken­de klei­ne pos­ter die je op veel sta­ti­ons in Tokio zag, met daar­op een sil­hou­et van een jong meis­je dat haar hoed op het spoor had laten val­len en een mede­wer­ker die de hoed voor haar opvis­te met een lan­ge grijp­stok; hier­on­der stond in het Japans: gelie­ve een mede­wer­ker in te lich­ten als u eigen­dom­men op het spoor hebt laten val­len. Om die pos­ter moest Flo altijd glim­la­chen. De mees­te ande­re pre­zen spul­len aan die ze niet kon beta­len, of niet nodig had: rei­zen, scheer­schuim, elek­tro­ni­ca, sport­school­lid­maat­schap, bier. Maar toen zag ze op de muur van het sta­ti­on een rood­ge­le pos­ter met een car­toon van een man die een vrouw onze­de­lijk betast­te in de trein. Op het laat­ste plaat­je werd de man ach­ter­na­ge­ze­ten door de sta­ti­ons­be­wa­kers of de poli­tie. Ernaast stond de tekst: 

痴漢は犯罪です!

Chi­kan is een misdaad! 

Het was bela­che­lijk dat Japan Rail geld moest uit­ge­ven aan pos­ters om hun pas­sa­giers te infor­me­ren dat chi­kan – het onze­de­lijk betas­ten van een vrouw – een mis­daad was. Dat zou toch van­zelf­spre­kend moe­ten zijn? Flo keek weer naar de Chi­ne­se karak­ters voor het woord ‘chi­kan’. Het ‘chi/痴’-gedeelte bete­ken­de ‘dom’ en het ‘kan/漢’-gedeelte bete­ken­de ‘Chi­nees’. Dit was het­zelf­de ‘kan/漢’ als in het woord voor Chi­ne­se karak­ters, ‘kanji/漢字’. Hoe meer Flo hier­over nadacht, hoe vreem­der het woord leek – wat had­den de Chi­ne­zen te maken met Japan­se man­nen die vrou­wen onze­de­lijk betast­ten in de trein? Wil­den ze hier­mee zeg­gen dat iemand die vrou­wen onze­de­lijk betast­te net een dom­me Chi­nees was? Dat leek haar nog­al bizar, en erg racistisch. 

Ach, over de rest van de opmer­king kon ieder­een het in elk geval eens zijn – men­sen onze­de­lijk betas­ten in de trein is een misdaad! 

Het sta­ti­on begon lang­zaam voor­bij te glij­den. Ter­wijl de trein weg­reed, kruis­te haar blik die van een con­duc­teur die op het per­ron aan het werk was. Ze zag zijn lich­te ver­ba­zing, maar ze glim­lach­te naar hem, en hij glim­lach­te terug en maak­te een bui­ging, met zijn gehand­schoen­de han­den strak naast zijn keu­rig gestre­ken grij­ze broek gehou­den. Als ze ruim­te had gehad om haar armen te bewe­gen, zou ze zwaai­en, maar soms was een glim­lach al genoeg. 

Ze voel­de haar blo­te armen en benen klam wor­den van het zweet van de ande­re pas­sa­giers, voel­de de kou van de air­con­di­ti­o­ning die het vocht op haar huid koel­de. Ze sloot haar ogen en pro­beer­de aan leu­ke­re din­gen te denken. 

Flo gebruik­te haar vas­te truc­je om met het foren­zen om te gaan, geleerd van een lezing die ze had bezocht. De man die voor­aan in de zaal stond, had ieder­een gevraagd terug te den­ken aan het moment in hun leven waar­op ze op hun geluk­kigst waren geweest. Hij had de groep ver­teld dat ze die her­in­ne­ring in gedach­ten moesten nemen als ze zich boos, gestrest of neer­slach­tig voel­den – om dat moment te her­be­le­ven. Flo koos voor de her­in­ne­ring aan de och­tend dat ze de zon had zien opko­men van­af de top van de berg Fuji – de wate­rig rode bol die lang­zaam boven de wol­ken uit was gere­zen, de col­lec­tief stok­ken­de adem van de berg­be­klim­mers ter­wijl ze de warm­te terug voel­den stro­men in hun ijs­kou­de lede­ma­ten. Flo was te snel de berg op geklom­men en had een paar uur in haar een­tje ineen­ge­do­ken tegen een oud muur­tje geze­ten. Ze had zich onwijs dom gevoeld omdat ze niet de juis­te uit­rus­ting had mee­ge­no­men en had daar zit­ten bib­be­ren tot een vrien­de­lij­ke dame haar wat groe­ne thee had aan­ge­bo­den. Als de her­in­ne­ring aan de zons­op­komst op Fuji de her­in­ne­ring was die haar door zwa­re tij­den moest hel­pen, waar had ze zich dan aan kun­nen vast­klam­pen bij alles wat er vóór dat moment was gebeurd? 

Haar hal­te werd omge­roe­pen door de luid­spre­kers. Ze open­de haar ogen en liep met de ande­re pas­sa­giers de trein uit, op weg naar het kan­toor van haar bedrijf in dezelf­de zom­bie-ach­ti­ge gemoeds­toe­stand als alle ande­re sala­ry­men en OL’s, iets wat ze al snel had opge­pikt toen ze naar Tokio was verhuisd.

© 2021 Ambo|Anthos

Shopping Basket