De majoor en mevrouw Ali

Uit­ge­ver: Mou­ria (nu onder Atlas Con­tact)
Engel­se titel: Major Pettigrew’s Last Stand

Recen­sies: Trouw, Leestafel, Bladzijde 26

De majoor en mevrouw Ali

Helen Simonson

Mis­schien is majoor Pet­ti­grew niet meer van deze tijd. Zijn minu­ti­eus onder­hou­den golf­tas ziet er nog net zo uit als op de dag dat zijn vader hem deze schonk, zijn thee is sterk en met melk en hij koes­tert het pistool dat zijn vader hem ooit naliet, en waar­van zijn broer een ‘zus­ter­exem­plaar’ heeft. Maar de Engel­se plat­te­lands­we­reld van de majoor blijkt niet bestand tegen de moder­ne tijd: het dorp ver­an­dert door de komst van steeds meer men­sen uit de stad en zijn zoon, die in Lon­den werkt, is voor­na­me­lijk uit op zijn geld om een ‘pit­to­res­ke cot­ta­ge’ in de buurt te kun­nen kopen. Zijn Ame­ri­kaan­se schoon­doch­ter beschouwt hem op z’n best als een oubol­li­ge vrien­de­lij­ke sul. Zelfs op zijn oude ver­trouw­de golf­club heerst de moder­ne tijd­geest: de jaar­lijk­se feest­avond met aan­ge­na­me muziek en een menu van steak en aard­ap­pe­len is ver­van­gen door een rijk gede­co­reer­de the­ma-avond. Nu alles wat hem dier­baar lijkt weg te val­len, moet hij in actie komen om te behou­den wat hem lief is en te krij­gen wat hem toe­komt. De eni­ge per­soon die Majoor Pet­ti­grew lijkt te begrij­pen is de eige­na­res­se van de buurt­win­kel, mevrouw Ali, met wie hij een voor­keur voor de schrij­ver Rudy­ard Kip­ling (Jun­gle­boek) en goe­de omgangs­vor­men deelt.

Uit­ge­ver: Mou­ria
Engel­se titel: Major Pettigrew’s Last Stand

Recen­sies: Trouw, Leestafel, Bladzijde 26

fragment

Majoor Pet­ti­grew was nog steeds van streek door het tele­foon­tje van de vrouw van zijn broer en deed gedach­te­loos de voor­deur open. Daar, op de nat­te ste­nen van het pad, stond mevrouw Ali van de buurt­win­kel. Ze schrok slechts licht, frons­te alleen haar vol­le wenk­brau­wen iets. De majoor kreeg een blos van schaam­te op zijn wan­gen en streek onbe­hol­pen langs de over­slag van zijn wijn­ro­de, met bos­ran­ken­mo­tief ver­sier­de peig­noir, met han­den die aan­voel­den als kolenschoppen. 

‘Ah,’ zei hij. 

‘Majoor?’

‘Mevrouw Ali?’

Er volg­de een stil­te die zich lang­zaam leek uit te brei­den, net als het heel­al, dat in de loop der tijd steeds ver­der uit­dij­de, zo had hij onlangs gele­zen. ‘Senes­cen­tie,’ zo noem­den ze het in de zondagskrant. 

‘Ik kom het kran­ten­geld opha­len. De kran­ten­jon­gen is ziek,’ zei mevrouw Ali ter­wijl ze zich met haar klei­ne pos­tuur zo lang moge­lijk maak­te en een kor­da­te toon aan­sloeg, heel anders dan de die­pe, vol­le, door haar accent gekleur­de stem waar­mee ze sprak als ze samen dis­cus­si­eer­den over het karak­ter en het aro­ma van de thee­soor­ten die ze spe­ci­aal voor hem mengde. 

‘Natuur­lijk, het spijt me zeer.’ Hij was ver­ge­ten het geld voor deze week in een enve­lop onder de deur­mat bui­ten te leg­gen. Hij tast­te naar zijn broek­zak­ken, die ergens onder de bos­ran­ken ver­stopt zaten. Hij voel­de dat zijn ogen begon­nen te tra­nen. Hij kon niet bij zijn zak­ken ten­zij hij de zoom van de peig­noir omhoog­hield. ‘Het spijt me,’ zei hij nogmaals. 

‘O, maakt u zich niet druk,’ zei ze, ter­wijl ze ach­ter­uit stap­te. ‘U kunt het later wel komen langs­bren­gen in de win­kel – op een geschik­ter tijd­stip.’ Ze draai­de zich al om toen hij plot­se­ling de behoef­te voel­de uit­leg te geven. 

‘Mijn broer is over­le­den,’ zei hij. Ze draai­de zich weer om. ‘Mijn broer is over­le­den,’ her­haal­de hij. ‘Ze bel­den me van­mor­gen. Ik had geen tijd.’ Het och­tend­ge­zang van de vogels in de gro­te taxus­boom naast de wes­te­lij­ke muur van zijn cot­ta­ge had nog vol­op geklon­ken en de lucht was nog roze geweest toen de tele­foon was gegaan. De majoor, die vroeg op was gestaan voor de weke­lijk­se schoon­maak, rea­li­seer­de zich nu dat hij sinds dat moment alleen maar ver­bluft voor zich uit had zit­ten sta­ren. Hij gebaar­de onhan­dig naar zijn vreem­de out­fit en wreef met zijn hand over zijn gezicht. Plot­se­ling begon­nen zijn knie­ën te knik­ken en voel­de hij het bloed uit zijn gezicht weg­trek­ken. Hij voel­de hoe zijn schou­der ineens de deur­post raak­te, en voor hij met zijn ogen kon knip­pe­ren stond mevrouw Ali aan zijn zij­de om hem te ondersteunen. 

‘Ik denk dat we u maar beter naar bin­nen kun­nen bren­gen om even te gaan zit­ten,’ zei ze op zach­te, bezorg­de toon. ‘Als u het goed vindt, zal ik wat water voor u halen.’ Aan­ge­zien zijn benen hem niet meer leken te kun­nen dra­gen, kon de majoor niet anders dan instem­men. Mevrouw Ali loods­te hem door de smal­le gang met de onge­lij­ke ste­nen vloer en instal­leer­de hem in de leun­stoel die vlak ach­ter de deur van de lich­te, met boe­ken gevul­de woon­ka­mer stond. Het was zijn minst favo­rie­te stoel, met bob­be­li­ge kus­sens en een har­de hou­ten rand pre­cies op de ver­keer­de plek ach­ter zijn hoofd, maar hij was niet bij mach­te om te klagen.

Shopping Basket