De rook die dondert

Namwali Serpell

Agnes, de wit­te, blin­de doch­ter van een Brit­se par­le­men­ta­ri­ër, wordt ver­liefd op een zwar­te inge­ni­eur en gaat er met hem van­door naar Zam­bia, dat op het punt staat onaf­han­ke­lijk te wor­den. Sibil­la, die als bui­ten­ech­te­lijk kind opgroeit in een gehucht in Ita­lië, en die van top tot teen bedekt is met haar, vlucht met haar gelief­de naar Zam­bia om een nieuw leven op te bou­wen. Mat­ha, een in Zam­bia gebo­ren wis­kun­dig genie, wordt geplaagd door een – let­ter­lijk – ein­de­lo­ze tra­nen­vloed nadat een onge­wens­te zwan­ger­schap haar heeft gedwon­gen een veel­be­lo­ven­de car­ri­è­re in de weten­schap op te geven. In de daar­op­vol­gen­de decen­nia wor­den de kin­de­ren en klein­kin­de­ren van deze vrou­wen steeds dich­ter naar elkaar toe gedre­ven, en hun per­soon­lij­ke lot raakt onlos­ma­ke­lijk ver­bon­den met het lot van een hele natie.

fragment

Zt. Zzt. ZZZzzz­ZZZzzzz­ZZZzzzzzz­ZZZZzzzzzzzz­ZZZZZzzzzzz­ZZZzzzzzz­ZZZzzz­ZZZzzzzo’ona.

Een blan­ke, ver­ge­ten man raakt ver­grijsd en ver­dwaald in het hart van Afri­ka. Hij speurt en spit, al dolend en dwa­lend, en wordt onze vader bij toe­val, onze luk­ra­ke pater muzun­gu. Dit is het ver­haal van een natie, niet een konink­rijk of een volk, dus het start uiter­aard met een blanke. 

Op een dag kreeg een nobe­le Schot­se arts het idee de bron van de Nijl te vin­den. In plaats daar­van vond hij een geul in de grond vol kol­kend, sta­pe­lend water. Zijn dra­gers noem­den het Mosi-oa-Tunya, wat ‘de rook die don­dert’ bete­kent, maar hij gaf het de naam van zijn konin­gin. Hij beschreef de water­val­len met eer­bie­dig ont­zag en ver­ge­leek het kla­te­ren­de water met Brit­se zaken: met sneeuw en scha­pen­vacht en von­ken van bran­dend staal, met tal­lo­ze klei­ne kome­ten die in dezelf­de rich­ting scho­ten en elk een smal spoor van schuim nalie­ten. Hij mij­mer­de dat enge­len erop neer­ke­ken en tegen elkaar zei­den: ‘Hoe prach­tig’. Hij meen­de zelfs, als een decor­bou­wer, dat er eigen­lijk ber­gen op de ach­ter­grond had­den moe­ten staan. 

Avon­tuur. Ramp­spoed. Roem. Han­del. Chris­ten­dom. Bescha­ving. Hij werd bespron­gen door een leeuw en ver­tel­de dat die hem in zijn bek schud­de als een hond met een rat doet. Zijn vrouw stierf aan koorts; zijn gelief­de poe­del ver­dronk. Hij reis­de over land en via ein­de­lo­ze water­we­gen. Onder­weg bevrijd­de hij sla­ven, brak hun kete­nen eigen­han­dig en nam ze aan als zijn knech­ten en dra­gers. In zijn late­re leven was hij getui­ge van een bloed­bad: sla­ven­han­de­laars die scho­ten op men­sen in een meer, zoveel dat de kano’s er niet langs kon­den. Hij ver­loor alle hoop. Hij zat aan de grond, finan­ci­eel en emo­ti­o­neel; konin­gin Vic­to­ria was hem ver­ge­ten; de Roy­al Geo­grap­hi­cal Soci­e­ty had hem dood­ver­klaard. Toen kwam Stan­ley, een Wels­he bas­taard die in opdracht werk­te, hem de hand schud­de met de woor­den: ‘Dr. Livings­to­ne, neem ik aan?’ en bericht stuur­de naar Lon­den. En in één klap was hij beroemd, als­of hij uit de dood was opge­staan. Maar hij wei­ger­de naar moe­der­tje Enge­land terug te keren. 

Dren­te­lend dool­de hij die­per het bin­nen­land in, nog altijd op zoek naar zijn gelief­de Nijl. O, vader muzun­gu! Dat woord bete­kent blan­ke man, al beschrijft het geen huids­kleur maar een nei­ging. Een muzun­gu is iemand die zal zunguluka’en – doel­loos rond­dwa­len – tot hij in een krin­ge­tje gaat. En zo dook onze rus­te­lo­ze muzun­gu hier weer op, met zijn zwar­te dra­gers in zijn kielzog. 

Zijn medi­cijn­kist raak­te zoek – de dader is nooit ach­ter­haald – en daar­mee raak­te hij ook zijn kost­ba­re kini­ne kwijt. De koorts zat hem op de hie­len en kreeg hem ten slot­te te pak­ken. Hij stierf in een hut, in de nacht, geknield op zijn bed met zijn hoofd in zijn han­den. Zijn man­nen ont­wei­den hem, begroe­ven zijn hart onder een boom en droe­gen zijn lijk naar de kust. De HMS Vul­tu­re bracht zijn lichaam naar huis, en wat over­bleef na het leven werd begra­ven onder een steen in het schip van West­m­in­ster Abbey. Zijn naas­ten her­ken­den hem aan de kras­sen van een leeu­wen­tand op het bot van zijn bovenarm. 

De vol­har­ding van zijn dra­gers was ver­bijs­te­rend. Maan­den­lang reis­den ze met een lijk, geteis­terd door ver­lies en ver­won­ding, ziek­te en con­flict, ploe­te­rend door de schroei­en­de hit­te en stro­men­de regen, vech­tend tegen het geloof dat de dood rond­waart in het gezel­schap der doden. Ze kwa­men hele­maal naar Enge­land om te wor­den uit­ge­hoord, bouw­den de hut na waar­in hij was gestor­ven. Wat een toe­wij­ding! Wat een lief­de! Nee, nee: wat een angst! Dat lichaam, dat lijk was bewijs. Wie zou hen anders op hun woord gelo­ven, dat een blan­ke man in het gezel­schap van ‘wil­den’ was gestor­ven door pech – door sim­pe­le koorts? 

Men­sen kun­nen niet gelo­ven dat het toe­val zo krach­tig is. Maar het ver­haal van deze plek is door­spekt met dit soort dwa­lin­gen. Erra­re huma­num est, ver­gis­sen is men­se­lijk, van het Latijn­se erra­re: dwa­len, rond­do­len, zich ver­gis­sen. De bazun­gu die dit gebied ver­deel­den in een kolo­nie, toen een pro­tec­to­raat, toen een fede­ra­tie en tot slot een natie, kwa­men hier alleen omdat Livings­to­ne hier was geweest. Ze dwaal­den bin­nen en bevolk­ten het land, trok­ken wil­le­keu­ri­ge gren­zen in het zand, ver­leid­den de opper­hoof­den tot ver­dra­gen met een list: een konink­lijk decreet bedoeld voor han­del maar gebruikt voor het Rijk. Zwaai­end met vlag­gen, gewe­ren en kra­len hiel­den ze een Wed­loop om Afri­ka in naam van Livingstone. 

Ori­ën­taal noch occi­den­taal, maar acci­den­teel, dat is deze natie. Geloof het of niet, onze vro­me Schot­se arts zocht de bron van de Nijl op de ver­keer­de plek. Er blij­ken twee Nij­len te zijn – een Blau­we en een Wit­te – dus ook twee bron­nen, en geen van bei­de is hier in de buurt. Zo gaat dat met naties en mythen, met men­sen en tekens. Je speurt naar een bron, een oer­woord of sym­bool, en ineens splitst het pad, in twee­ën gekliefd door streep of apo­strof. Een dub­be­le tong, die zelf weer ver­takt tot een capil­lai­re cha­os. Waar je zocht naar een bron, vind je een weids geruis dat tege­lij­ker­tijd een stil­te is: een kloof vol don­de­ren­de rook. Blin­de mond!

Shopping Basket