De zee die ons scheidt

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: The Sea Bet­ween Us

Recen­sies: Chicklit, Mappalibri

De zee die ons scheidt

Emylia Hall

Op een war­me nazo­mer­dag dreigt de acht­tien­ja­ri­ge stu­den­te Robyn Swin­ton mee­ge­sleurd te wor­den door de gol­ven aan de kust van Corn­wall. Als Jago, haar buur­jon­gen, niet snel gere­a­geerd had, zou ze zijn ver­dron­ken. De gebeur­te­nis zal het leven van bei­den voor altijd ver­an­de­ren. Robyn en Jago vol­gen in de zeven jaar erop ieder hun eigen pad, van Lon­den naar New Mexi­co, van stad naar plat­te­land. Maar de gedach­te aan elkaar blijft. Is de band die op de bij­na-fata­le dag werd gevormd sterk genoeg of blijkt die slechts geba­seerd op een roman­ti­sche wens?

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: The Sea Bet­ween Us

Recen­sies: Chicklit, Mappalibri

fragment

Pro­loog

Jago, New Mexi­co, heden

Jago hoor­de eerst de paar­den en toen pas het vuur. Hij lag te sla­pen, met zijn laken van zich af getrapt, toen hij ergens door werd gewekt. De nach­ten hier waren inkt­zwart. De avond viel van­uit de ber­gen en gleed over de woes­tijn­grond in een stort­vloed van duis­ter­nis. Soms ging het gepaard met het hui­len van coy­o­tes of het kwie­ke kwet­te­ren van cica­den, maar nooit met het stad­se lawaai van kre­ten en sire­nes, pie­pen­de ban­den of flar­den van ander­mans muziek. De nacht was een don­ke­re deken die pas oprees bij het roze licht van de dageraad. 

Jago’s ogen scho­ten open en hij luis­ter­de roer­loos. Een onver­klaar­baar maar sterk gevoel van onrust nam bezit van hem. Toen klonk er een door­drin­gend, flui­tend geluid: de waar­schu­wen­de roep van een jon­ge hengst. Jago zwaai­de zijn benen over de rand van het bed en haast­te zich naar de deur. Bui­ten, op de veran­da, pet­s­ten zijn blo­te voe­ten op het hout. De nacht­lucht was druk­kend warm en er stond een ster­ke, smo­ren­de wind. Jago keek rond en snoof de lucht op. As. De onmis­ken­ba­re geur krie­bel­de ach­ter in zijn keel. Hij speur­de de hemel af, ver­vuld van vrees, en zag een neon­kleu­ri­ge rook­wolk aan komen rol­len van­uit het wes­ten. Toen hoor­de hij het geluid van dro­ge begroei­ing die vlam vat­te. Het splin­te­ren van cac­tus­sen. Het mee­do­gen­lo­ze geraas van een natuurbrand. 

Hij stoof terug naar bin­nen, trok zijn laar­zen aan en wurm­de zich in een T‑shirt. Toen zet­te hij het op een ren­nen. Er viel nie­mand te wek­ken in het huis. Annie was naar de brui­loft van haar nicht in Phoe­nix. Op dit tijd­stip zou ze diep in slaap zijn, haar adem zoet van de cock­tails, haar gekreuk­te jurk op de grond gegooid. Pico was bij zijn zie­ke vader in Albu­quer­que. Jago was als eni­ge op de ranch. Samen met zeven­tien paar­den, elk met een naam en een ver­haal, ver­spreid over tach­tig hec­ta­re wei­land, en een vlam­men­zee die werd opge­jaagd door de wind. Hij kon hun kre­ten nu dui­de­lijk horen: een aan­een­ge­slo­ten schel gehin­nik, onder­bro­ken door ang­stig gegil en rus­te­loos hoefgetrappel. 

Hij kon niet anders dan naar ze toe gaan. 

 

Robyn, Corn­wall, heden

Mer­rin was altijd Jago’s plek geweest, al lang voor­dat het ook haar plek was gewor­den. Zelfs nu hij weg was, was hij nog over­al. In het roest­brui­ne struik­ge­was en op de kron­ke­li­ge lanen. Bij de baai die ze Rock­a­bil­ly noem­de, in de per­fec­te gol­ven en het immen­se opper­vlak van blauw, grijs, groen en weer blauw. In het helm­gras en de zee­bries. En ook in haar atelier. 

Op de tafel, tus­sen haar pot­ten met pen­se­len, bewaar­de Robyn een reeks schat­ten, voor­wer­pen die ooit voch­tig glom­men, maar nu kurk­droog waren. Zan­de­ri­ge zee­schel­pen, een hand­vol kie­zels zo glad en rond als zuur­tjes, een per­fect poreus stuk zee­schuim. Als ze hier zat te wer­ken, lij­nen zet­tend met pot­lood of pen­seel, gle­den haar vin­gers soms even over deze klei­ne aan­den­kens, op zoek naar de troost van her­in­ne­rin­gen. Pas als er weer iets tot haar kwam – de blik in zijn water­blau­we ogen ter­wijl hij naast haar op het strand lag, zijn sche­ve glim­lach ter­wijl hij zijn moe­ders gitaar vast­hield – besef­te ze dat zul­ke vluch­ti­ge indruk­ken toch niet genoeg waren. Niet ter­wijl hij nog ergens daar­ginds was, in leven­den lij­ve, op een ande­re plek dan Mer­rin, pra­tend met ande­re men­sen dan zij, een leven lei­dend dat voor altijd ver­bon­den was met, maar tege­lij­ker­tijd geschei­den was van dat van haar. Dan dwaal­de haar blik naar het raam en bleef ze maar turen, als­of ze hele­maal naar de ande­re kant van de Atlan­ti­sche Oce­aan pro­beer­de te kij­ken. Ze staar­de naar de hori­zon en dwong die scher­per te wor­den en een vorm aan te nemen, al was het maar de flauw­ste wel­ving van een klif of de smal­ste streep van een vuur­to­ren, iets waar­door de kust dich­ter­bij leek, iets waar­door Jago niet zo ver weg leek.

Shopping Basket