opmerking2

Kamer 333

(Vacan­cy)

K.R. Alexan­der

Na het over­lij­den van haar moe­der ver­huist Jas­mi­ne met haar vader naar Gold River. Daar staat het ver­la­ten Car­lis­le Hotel, waar pre­cies 33 jaar gele­den in één nacht alle gas­ten zijn over­le­den. In Jas­mi­nes nacht­mer­ries lijkt het of het Car­lis­le haar roept. Als een vriend voor­stelt om mee te doen aan de Uit­da­ging om een nacht in het hotel door te bren­gen, ziet Jas­mi­ne dit als een kans. Nu kan ze mis­schien ont­dek­ken waar­om het ver­la­ten hotel haar zo in zijn greep heeft. Al gauw komen ze erach­ter dat kamer 333 de eni­ge kamer is die écht leeg blijkt te zijn en Jas­mi­ne krijgt steeds ster­ker het gevoel dat de kamer hon­ger heeft naar nieu­we gasten…

Gold River was groot en knus tege­lijk, de per­fec­te plek voor ski­lief­heb­bers. Er waren een paar ski­win­kels, waar­van ik de naam ken­de door de vele sol­li­ci­ta­tie­brie­ven die mijn vader had ver­stuurd. Er waren gezel­li­ge eet­ca­fés en chi­que res­tau­rants, waar je je na een dag op de pis­te kon opwar­men. En als toe­ris­ten een hou­ten cha­let met een bal­kon en een punt­dak wil­den huren, dan had­den ze tien­tal­len opties om uit te kie­zen. Er was maar één plek waar ze niet kon­den verblijven… 

Hotel Car­lis­le.

Het Car­lis­le stond aan de rand van het dorp en grens­de aan een paar ver­la­ten ski­pis­tes omringd door den­nen­bo­men. Het was oud en gigan­tisch, zo groot als een hui­zen­blok, met hou­ten lui­ken voor de ramen en een ingang met ver­gul­de deu­ren – het soort hotel dat ooit massa’s mil­jo­nairs trok. Het soort hotel dat ooit adver­teer­de met een luxu­eu­ze inrich­ting, ele­gan­te diners en kamers met prach­tig uit­zicht en een eigen open haard. 

Maar nu niet meer. 

Ik voel­de mijn adem stok­ken toen ik er voor het eerst langs liep. Het zag er prach­tig uit, maar ook treu­rig en leeg. 

Zo voel­de ik me toen ook: treu­rig en leeg. 

Het leek wel als­of ik me al een eeu­wig­heid zo had gevoeld. 

In het begin bleef ik bij het hotel uit de buurt. We waren in augus­tus in Gold River aan­ge­ko­men, dus ik kon tege­lijk met alle ande­re leer­lin­gen aan het nieu­we school­jaar begin­nen. Ik maak­te vrien­den en leer­de het dorp beter ken­nen voor­dat het ski­sei­zoen los­barst­te. In die eer­ste paar weken was het hotel niet het eni­ge gebouw dat ver­la­ten leek, hoe­wel dat bij het Car­lis­le niets met het sei­zoen te maken had. 

Uit­ein­de­lijk viel er een eer­ste laag sneeuw en keer­den alle toe­ris­ten terug, klaar om de pis­tes op te gaan. De cha­lets waren vol­ge­boekt. Het was druk in de winkels. 

Maar het Car­lis­le bleef leeg. 

Dat bleef het al bij­na drie­ën­der­tig jaar. 

Ik moet alleen toe­ge­ven dat dit niet de eer­ste keer was dat ik het hotel zag. 

Ik had het Car­lis­le al eer­der gezien, in mijn dromen. 

Drie jaar gele­den, in de nacht van mijn tien­de verjaardag. 

Voor­dat mijn moe­der over­leed. Voor­dat we naar Gold River verhuisden. 

Ik droom­de dat ik over die oprit met hagen naar de ingang wandelde. 

Ik droom­de dat ik naar bin­nen liep. Door de hal met zijn enor­me trap, diep­ro­de tapij­ten, gou­den kroon­luch­ters en mar­me­ren balies. Langs het bin­nen­zwem­bad en de spa, die naar chloor en euca­lyp­tus roken. Langs de ver­ga­der­ruim­tes en eet­za­len vol antie­ke stand­beel­den, renais­san­ce-schil­de­rij­en en ron­de tafels met fris­se, wit­te tafel­kle­den en glin­ste­ren­de kris­tal­len glazen. 

Door een lan­ge, don­ke­re gang. 

Een gang die com­pleet anders was dan de rest van het Carlisle. 

Don­ker.

Smal.

Met flik­ke­ren­de lichten. 

Ver­ge­ten.

Ik her­in­ner me de kracht die me voortdreef. 

Mijn bestem­ming?

Een kale

wit­te

deur

aan het ein­de van een kale 

wit­te

gang.

Ik her­in­ner me nog wat er gebeur­de toen ik mijn hand naar die deur uitstak. 

Dat her­in­ner ik me omdat ik die droom – of een ver­sie daar­van – sinds­dien elke nacht heb gehad. 

Ik kom altijd bij die deur uit 

maar ik

kom

er

nooit

voor­bij.

Ik pak de oude deur­knop vast. 

Ik draai eraan. 

Ik ben ver­vuld van angst. 

En dan word ik wakker. 

Maar ik weet wat er ach­ter die deur wacht. 

Dat weet ik in het don­ker­ste hoek­je van mijn hart. 

De dood.

In het Car­lis­le wacht niets anders dan de dood.

Ande­re door mij ver­taal­de delen: Het poppenhuisIk kom je halenVerdronken
Recen­sies: BiebmiepjeBoekenbeschrijfsterBookaddict.nlCoole suggestiesStoerLeesVoer

Ande­re door mij ver­taal­de delen:
Het poppenhuis
Ik kom je halen
Verdronken

Recen­sies:
Biebmiepje
Boekenbeschrijfster
Bookaddict.nl
Coole suggesties
StoerLeesVoer

Shopping Basket