Moederland

Co-ver­ta­lers: Bet­ty Klaas­se en Anne Roet­man
Uit­ge­ver: Atlas Con­tact
Engel­se titel: 
Mother­land

Moederland

Paul Theroux

Jay groeit op in een onge­luk­kig gezin met zeven kin­de­ren waar­in moe­der de scep­ter zwaait. Voor de bui­ten­we­reld is ze het toon­beeld van vroom­heid, nij­ver­heid en vlijt. Voor haar echt­ge­noot en kin­de­ren is ze de ego­ïs­ti­sche, klein­zie­li­ge alleen­heer­ser over Moe­der­land, de konin­gin die regeert met een suc­ces­vol ver­deel-en-heers­be­leid. Ter­wijl de jaren voor­bij sjok­ken, en moe­der tot ieders ver­bijs­te­ring de 100 nadert, pro­be­ren de kin­de­ren zich met wis­se­lend suc­ces aan haar wurg­greep te ontworstelen.

Co-ver­ta­lers: Bet­ty Klaas­se en Anne Roet­man
Uit­ge­ver: Atlas Con­tact
Engel­se titel: 
Mother­land

fragment

1 | Moe­der van het jaar

Weer is her­in­ne­ring. Zelfs de wind doet ertoe. De regen­slag kan iets oproe­pen, net als een bepaal­de licht­in­val. Je hebt geen kalen­der nodig om je aan per­soon­lij­ke diep­te­pun­ten te her­in­ne­ren. Je ruikt ze, je voelt ze op je huid, je proeft ze. Als je jaren­lang op dezelf­de plek blijft wonen, krijgt het weer lang­za­mer­hand bete­ke­nis, is het bela­den met voor­te­ke­nen, en bij elke wis­se­ling roe­pen de tem­pe­ra­tuur, het zon­licht, de bomen en bla­de­ren emo­ties op. De hele wereld van ver­e­ring stoelt op dit prin­ci­pe van ver­trouwd­heid met het weer: al dit ont­zag is ooit ont­staan in een bepaald sei­zoen, op een spe­ci­fie­ke dag. 

Op die mooie och­tend in mei wer­den we naar huis ont­bo­den en kre­gen we te horen dat vader ziek was. Moe­der – zelfs in nood­ge­val­len nog zui­nig – bel­de zel­den inter­lo­kaal, dus dit dure tele­foon­tje bete­ken­de dat vader op ster­ven lag, dat we bij elkaar wer­den geroe­pen voor een doden­wa­ke, in de vorm van een eigen, karak­te­ris­tiek ritueel. 

Je komt uit een fami­lie zoals je uit een bepaald land komt. Dat van ons was een geï­so­leerd gebied met zijn eigen gewoon­ten en wreed­he­den. Nie­mand ken­de ons en we wek­ten ook niet echt inte­res­se, en daar­om nam ik mezelf voor dat ik mijn fami­lie – Moe­der­land in elk opzicht – op de kaart zou zet­ten als de tijd rijp was. 

We waren met acht kin­de­ren, van wie er een was over­le­den. Onze ouders waren star, door het har­de wer­ken en door hun angst voor de armoe­de die ze tij­dens de Gro­te Depres­sie had­den mee­ge­maakt. In onze ogen leken ze stok­oud, maar zolang ze nog bij ons waren, hoe seniel ook, ble­ven wij hun jon­ge, onvol­was­sen kin­de­ren. We gedroe­gen ons nog steeds als kin­de­ren toen moe­der al een levend fos­siel was. Op onze oude dag begon­nen we aan onze ech­te, vre­se­lij­ke kin­der­tijd, als infan­tie­le ouwe zeu­ren die door hun tri­om­fan­te­lij­ke moe­der wer­den geregeerd. 

De ande­ren von­den het ver­ve­lend – en vaak ook bescha­mend – dat twee van ons schrij­ver waren, want onze fami­lie vond schrij­ven een nut­te­lo­ze bezig­heid. Als leken von­den ze het beroep van schrij­ver maar een opge­bla­zen soort lui­heid. Ik werd ver­oor­deeld om wat ik schreef. Ik denk niet dat mijn werk veel in deze fami­lie­ge­schie­de­nis zal voor­ko­men, alleen inci­den­teel, wan­neer de ande­ren er pro­ble­men mee heb­ben. Ik richt me hier voor­al op het leven dat ik leid­de toen ik nog vlucht­ge­vaar­lijk was, voor­dat ik het huis uit ging, rond mijn acht­tien­de; en op de voort­zet­ting van dit leven toen ik veer­tig jaar later terug­keer­de en het hoofd moest bie­den aan mis­luk­king, ver­war­ring en de dood. Het begin en het ein­de – niet de boe­ken over mijn leven, maar het voor‑ en nawoord. (…) 

Wij kin­de­ren had­den alle­maal dezelf­de vader, een kra­ni­ge man, ook al was hij vaak ziek. Hij was een dwang­ma­ti­ge spaar­der, altijd bezorgd. Zui­nig­heid was zijn obses­sie. Als hij een stuk kauw­gom pak­te, brak hij het door­mid­den, want het kau­wen van een heel stuk was een over­bo­di­ge luxe. Hij bewaar­de rest­jes touw, bewaar­de roes­ti­ge spij­kers en schroe­ven in een pot­je, bewaar­de hou­ten plan­ken, bewaar­de alles. Zijn hele leven had hij een zwak voor de plaat­se­lij­ke vuil­stort, voor de schat­ten die daar te vin­den waren. Naar de stort gaan was een uitje, en er ver­scheen een glim­lach op zijn gezicht als hij ver­trok, als­of hij naar een dis­countwin­kel ging en zeker wist dat hij met een koop­je zou terug­ko­men. Hij nam altijd een doos vol troep mee, maar kwam weer met half zoveel poten­ti­eel bruik­ba­re spul­len terug, die hij al rond­schar­re­lend in de ber­gen smeu­lend afval had gevon­den, tus­sen de riva­li­se­ren­de meeu­wen. De vuil­stort was ook een van de plaat­sen waar hij vrien­den ont­moet­te; zijn ande­re ont­moe­tings­plek was de kerk. Zijn armoe­di­ge kin­der­tijd had hem een sle­pen­de ziek­te opge­le­verd die hij zijn hele leven met zich mee­droeg en die hem dank­baar maak­te dat hij nog leefde. 

Moe­der was mys­te­ri­eus en ondoor­gron­de­lijk, soms onbe­grij­pe­lijk, als een wraak­zuch­ti­ge godin. Ze was onze­ker over haar macht, wat leid­de tot een onge­dul­di­ge en veel­ei­sen­de wreed­heid die uit een ande­re tijd en een ande­re cul­tuur leek te stam­men en die nooit ver­za­digd raak­te. Dit maak­te haar een moed­wil­li­ge pret­be­der­ver. Moe­ders tegen­strij­dig­he­den, haar stem­mings­wis­se­lin­gen, haar onrecht­vaar­dig­heid, haar trou­we­loos­heid en haar hard­nek­ki­ge par­tij­dig­heid maak­ten haar voor ieder­een weer anders. We had­den alle­maal met onze eigen ver­sie van haar te maken, we had­den alle­maal een ande­re moe­der, of we ver­taal­den haar – zoals ik nu doe – in onze eigen spe­ci­fie­ke taal. Als Fred dit boek leest, zegt hij mis­schien: ‘Wie is die vrouw?’ Fran­ny en Rose zul­len wel­licht pro­tes­te­ren. Hub­by gromt mis­schien: ‘Wat een onzin.’ Gil­bert zou de vrouw die mij had opge­voed niet her­ken­nen. Maar Floyd, de ande­re schrij­ver in de fami­lie, begreep pre­cies wat ik bedoel­de, en als we elkaar spra­ken, hief hij soms zijn vuist en zei: ‘De Furi­ën! Het onder­lin­ge ver­raad! Het kan­ni­ba­lis­me! Dit lijkt het Huis van Atreus wel!’ 

Moe­ders ver­ha­len en ver­trou­we­lijk­he­den ver­schil­den per kind. Dat had ik al vroeg kun­nen raden, want ze had de gewoon­te om met elk van ons apart af te spre­ken. Ze moe­dig­de ons aan haar los van elkaar te bezoe­ken en liet door­sche­me­ren dat ze graag met cadeau­tjes werd ver­rast. Maar de tele­foon was haar favo­rie­te com­mu­ni­ca­tie­mid­del; die liet ruim­te voor geheim­zin­nig­heid en mani­pu­la­tie. Ze genoot van het onver­wach­te van een tele­foon­tje, de onvoor­spel­baar­heid van het gesprek, de kracht van het ophan­gen. In zeven tele­foon­tjes – clai­me­ri­ge men­sen zijn chro­ni­sche bel­lers – ver­tel­de ze steeds een ande­re ver­sie van haar dag. 

Dan bel­de ze bij­voor­beeld Fred, de oud­ste, het eni­ge kind dat ze res­pec­teer­de en naar wie ze luis­ter­de. Hij was een typi­sche advo­caat, behoed­zaam en in staat twee tegen­strij­di­ge opvat­tin­gen tege­lijk te over­den­ken ter­wijl hij geen van bei­de geloof­de. Ze stort­te haar hart bij hem uit en dan zei hij: ‘Dit moet u doen, ma’, waar­na het tegen­over­ge­stel­de stand­punt volg­de: ‘Of u kunt dit doen.’ Later zou hij optre­den als haar raads­man, haar ver­de­di­ger, haar woordvoerder. 

Of ze bel­de Floyd, de op een na oud­ste, die ze vrees­de en ver­af­schuw­de, en over wie ze zei: ‘Hij was nooit hele­maal goed snik.’ Floyd was uni­ver­si­tair hoog­le­raar en een befaamd dich­ter. Hij zei altijd: ‘Kunst is de Hof van Eden waar­in Adam en Eva de slang opeten.’ 

Of ze bel­de een van de zus­sen, Fran­ny of Rose, bei­den cor­pu­lent en net zo kort­a­de­mig als ano­nie­me oog­ge­tui­gen op tv die geschokt ver­kla­ren: ‘Ik woon hier al mijn hele leven, maar zoiets heb ik nog nooit mee­ge­maakt!’ Bei­den waren lera­res op de basis­school en spra­ken ieder­een aan als­of ze het tegen een kind hadden. 

Of ze bel­de Hub­by, de zwart­gal­li­ge, over wie moe­der zei: ‘Hij is heel goed met zijn han­den.’ Hij werk­te op de eer­ste hulp en had een schat aan gru­we­lij­ke verhalen. 

Of ze bel­de Gil­bert, haar lie­ve­ling, een diplo­maat, die zich altijd in een waas van vro­lij­ke vaag­heid hul­de. ‘Hij heeft het zo druk, dat arme kind, maar ik ben trots op hem.’ Moe­der wei­ger­de hem nooit iets. 

Of ze bel­de mij, JP, zoals ik al van­af mijn geboor­te bekend­stond. Moe­der was op haar hoe­de bij mij, knip­per­de onze­ker met haar ogen als ik op bezoek kwam en hoop­te altijd dat ik snel weer zou ver­trek­ken. Ze had graag gezien dat ik dok­ter was gewor­den; ze was nooit zo dol geweest op mijn schrij­ver­schap. Als iemand een van mijn boe­ken prees, zei ze: ‘O?’ – als­of iemand haar met een stok wak­ker had gepord. 

Moe­der sprak ook met Ange­la, via de kracht van het gebed; Ange­la was de over­le­den zus. Dit klei­ne meis­je was bij de geboor­te over­le­den, haar leven uit­ge­doofd toen ze pas een paar uur oud was, maar ze had wel een naam (‘Het was net een engel’). Ze had een eigen karak­ter en bepaal­de inne­men­de trek­jes, en ze maak­te deel uit van het gezin. Ange­la werd vaak genoemd als het per­fec­te kind aan wie we een voor­beeld zou­den moe­ten nemen.

Shopping Basket