Rose Harbor in bloei

Uit­ge­ver: Boe­ke­rij
Engel­se titel: Rose Har­bor in Bloom

Recen­sie: Heb­ban

Rose Harbor in bloei

Debbie Macomber

Sinds haar ver­hui­zing naar Cedar Cove voelt Jo Marie Rose zich er steeds meer thuis, zeker nu ze bevriend is geraakt met haar buren. Deze len­te heeft Jo Marie een klus­jes­man inge­huurd die haar gaat hel­pen bij het aan­leg­gen van een rozen­tuin. Ze ver­wel­komt ook twee nieu­we gas­ten. Annie New­ton is in Cedar Cove voor het huwe­lijks­­­jubileum van haar groot­ou­ders, maar zelf wor­stelt ze met een gebro­ken hart. En Mary Smith, een suc­ces­vol­le zaken­­­vrouw, kijkt door een nare ziek­te terug op haar leven en komt het eni­ge waar ze ooit spijt van heeft gehad rechtzetten.

Uit­ge­ver: Boe­ke­rij
Engel­se titel: Rose Har­bor in Bloom

Recen­sie: Heb­ban

fragment

1

Rose Har­bor stond in bloei. Over­al in de tuin groei­den paar­se rodo­den­drons en rode aza­lea’s. Ik stond op de veran­da en keek uit over het per­ceel voor mijn bed & break­fast, leu­nend tegen de dik­ke wit­te paal. ROSE HARBOR INN stond er in prach­ti­ge let­ters op het hou­ten bord dat voor­aan in de tuin stond, met daar­on­der mijn naam, JO MARIE ROSE. 

Ik was nooit van plan geweest een eigen bed & break­fast te begin­nen. Maar ik had ook niet ver­wacht dat ik voor mijn veer­tig­ste al wedu­we zou zijn. Als ik iets had geleerd van het leven, dan was het wel dat het vaak onver­wach­te wen­din­gen neemt en afwijkt van het pad dat eerst juist had gele­ken. Mijn vrien­den had­den me afge­ra­den de b&b te kopen. Ze von­den het een te dras­ti­sche ver­an­de­ring, want het bete­ken­de meer dan alleen ver­hui­zen en mijn baan opzeg­gen. Het bete­ken­de een heel nieuw leven. Velen von­den dat ik min­stens een jaar moest wach­ten na Pauls over­lij­den. Maar mijn vrien­den had­den het mis. Ik had rust gevon­den in de b&b, en tot mijn ver­ba­zing ook een zeke­re voldoening. 

Voor­dat ik de bed & break­fast kocht, woon­de ik in een appar­te­ment in hart­je Seatt­le. Van­we­ge mijn baan en ande­re ver­ant­woor­de­lijk­he­den had ik nooit huis­die­ren, nou ja, behal­ve in mijn jeugd dan. Maar kort nadat ik naar Cedar Cove was ver­huisd, kreeg ik Rover. In slechts een paar maan­den tijd was ik erg op hem gesteld geraakt. Hij was inmid­dels mijn scha­duw en volg­de me overal. 

Rover was een asiel­hond die ik te dan­ken had aan Gra­ce Har­ding, de bibli­o­the­ca­res­se van Cedar Cove. Gra­ce werk­te als vrij­wil­lig­ster bij het plaat­se­lij­ke asiel en ze had me aan­ge­ra­den een hond te adop­te­ren. Ik had gedacht dat ik een Duit­se her­der wil­de, maar in plaats daar­van was ik met een kort­ha­rig vuil­nis­bak­je thuis­ge­ko­men. Het asiel had hem Rover genoemd omdat wel dui­de­lijk was dat hij lan­ge tijd in zijn een­tje had rondgezworven. 

Mijn mij­me­rin­gen wer­den onder­bro­ken door gemom­pel van­af de plek waar ik een rozen­tuin wil­de laten aan­leg­gen en uit­ein­de­lijk ook een pri­eel­tje wil­de plaat­sen. Het gemom­pel kwam van Mark Tay­lor, de klus­jes­man die ik had aan­ge­no­men om het bord te maken dat in de voor­tuin stond. 

Mark was een apar­te figuur. Ik had hem al vele klus­sen gege­ven, maar ik wist nog steeds niet of we nu vrien­den waren of niet. Meest­al gedroeg hij zich wel als een vriend, maar af en toe ver­an­der­de hij in een mop­pe­ri­ge, onaar­di­ge, ruzie­zoe­ken­de, onre­de­lij­ke… en zo kon ik nog wel even doorgaan. 

‘Wat is er?’ riep ik. 

‘Niets,’ blaf­te hij. 

Blijk­baar was het slecht­ge­hu­meur­de mon­ster er weer. 

Maan­den gele­den had ik Mark gevraagd een groot deel van het per­ceel om te spit­ten en er een rozen­tuin aan te leg­gen. Hij had me gezegd dat dit pro­ject geen hoge pri­o­ri­teit zou krij­gen. Hij leek eraan te wer­ken wan­neer hij daar zin in had, wat helaas niet vaak was. Toch had ik gedacht dat hij met een maand of twee wel klaar zou zijn, naast de ande­re pro­jec­ten die hij voor me uit­voer­de. Nu moest ik toe­ge­ven dat het ook wel een stren­ge win­ter was geweest. Maar feit bleef dat hij niet aan mijn ver­wach­tin­gen had vol­daan. Ik was ervan uit­ge­gaan dat de rozen­strui­ken nu wel geplant zou­den zijn en ik had gehoopt dat de tuin in vol­le bloei zou staan voor het open huis dat ik orga­ni­seer­de voor de Kamer van Koop­han­del van Cedar Cove. Het pro­bleem, of een van de pro­ble­men, was dat Mark zo per­fec­ti­o­nis­tisch was. Alleen het opme­ten van de tuin had hem al een week gekost. Er lie­pen tou­wen en krijt­stre­pen van de ene kant van het pas gemaai­de gazon naar de ande­re kant. Ja, Mark had erop gestaan eerst het gras te maai­en voor­dat hij ging meten. 

Nor­maal gespro­ken ben ik niet zo onge­dul­dig, maar nu was de maat vol. Mark was een goe­de klus­jes­man en ik had nog geen klus gevon­den die hij niet kon uit­voe­ren. Hij was van alle mark­ten thuis, en meest­al was ik blij hem in de buurt te heb­ben. Het leek als­of ik in de loop van de tijd steeds meer klus­jes vond om hem mee bezig te houden. 

Ik was nieuw in het vak en was zelf niet zo han­dig, dus ik had iemand nodig op wie ik een beroep kon doen voor klei­ne repa­ra­ties. Als gevolg daar­van waren de plan­nen voor de rozen­tuin tot het laat­ste moment blij­ven lig­gen. Gezien het werk­tem­po van Mark had ik me erbij neer­ge­legd dat het niet zou luk­ken om de tuin voor zon­dag­mid­dag af te krijgen. 

Ik keek toe ter­wijl hij over­eind kwam en met zijn arm langs zijn voor­hoofd streek. Hij sloeg zijn ogen op en leek te mer­ken dat ik hem nog steeds stond te bekij­ken van­af de veran­da. ‘Ga je weer zeu­ren?’ vroeg hij. 

‘Ik zei niets.’ Hij leek nog­al humeu­rig, dus ik dwong mezelf op mijn tong te bij­ten voor­dat ik iets zou zeg­gen wat hem kwaad zou maken. Eén kri­ti­sche opmer­king van mij, en Mark bleef de rest van de dag weg. 

‘Je hoef­de ook niets te zeg­gen,’ brom­de Mark. ‘Je frons sprak boekdelen.’ 

Rover til­de zijn kop op bij het horen van de ver­bol­gen toon van Mark en keek toen naar mij als­of hij een weer­woord ver­wacht­te. Ik kon er niets aan doen dat ik teleur­ge­steld was, en ik zou mak­ke­lijk een paar scher­pe opmer­kin­gen kun­nen maken. Maar ik glim­lach­te zoet­jes, vast­be­slo­ten om mijn mond te hou­den. Het was maar goed dat Mark per klus fac­tu­reer­de en niet per uur. 

‘Zeg nu maar gewoon wat je dwars­zit,’ drong hij aan. 

‘Vol­gens mij had ik je gezegd dat ik de rozen­tuin voor het open huis klaar wil­de heb­ben,’ zei ik, ter­wijl ik mijn uiter­ste best deed om mijn frus­tra­tie te verbergen. 

‘Dat had je dan wel eer­der mogen zeg­gen,’ viel hij uit. 

‘Dat heb ik ook gedaan.’ 

‘Dat ben ik dan dus vergeten.’ 

‘Nou, nou, rus­tig maar.’ Het had geen nut om hier nu nog over te ruzi­ën. De uit­no­di­gin­gen waren al ver­stuurd en het open huis stond voor dit week­end gepland, klaar of niet. Er zou een won­der voor nodig zijn wil­de Mark de rozen­tuin nog op tijd afkrij­gen. Het had geen zin om me hier nu nog druk om te maken. 

Eigen­lijk was deze ver­tra­ging net zo goed mijn schuld. Meest­al nodig­de ik Mark uit voor een kop kof­fie voor­dat hij aan de slag ging. Ik had gemerkt dat hij net zo inte­res­sant als prik­kel­baar was. Het ver­ras­sendst was mis­schien nog wel dat hij een van mijn bes­te vrien­den was gewor­den in Cedar Cove, dus het was niet meer dan logisch dat ik zo veel moge­lijk over hem te weten wil­de komen. Het pro­bleem was dat hij niet echt een pra­ter was. Ik was meer over hem te weten geko­men tij­dens het scrab­be­len dan door onze gesprek­ken. Hij was slim en fana­tiek, en hij had een gro­te woordenschat. 

Zelfs nu, na vijf maan­den, ont­week hij direc­te vra­gen en praat­te hij nooit over per­soon­lij­ke zaken. Ik wist niet of hij ooit getrouwd was geweest en of hij fami­lie in de buurt had wonen. Ondanks al onze gesprek­ken had ik het mees­te wat ik over hem wist zelf gecon­sta­teerd. Hij woon­de alleen. Hij bel­de niet graag, en hij was een zoe­te­kauw. Hij had de nei­ging nog­al per­fec­ti­o­nis­tisch te zijn en hij nam de tijd voor zijn werk. Dat was alles wat ik te weten was geko­men over deze man die ik gemid­deld vier of vijf keer per week zag. Op het oog leek hij onze gesprek­jes wel leuk te vin­den, maar ik wist wel beter. Het ging hem niet om mijn gevat­heid en mijn char­me. Het ging hem om de koek­jes die ik bij de kof­fie ser­veer­de. Als ik niet zo nieuws­gie­rig naar hem was geweest, dan was hij waar­schijn­lijk met­een aan het werk gegaan. Ach, voort­aan zou ik het toch te druk heb­ben voor onze zoge­he­ten koffiepauze. 

Zacht­jes mop­pe­rend ging Mark weer ver­der met het afgra­ven van het gras, dat hij in plag­gen rond het vrij­ge­maak­te stuk grond opsta­pel­de. Hij groef elk stuk uit als­of hij een net­jes afge­me­ten taart­punt serveerde. 

Ondanks mijn frus­tra­tie van­we­ge de ver­tra­ging en zijn pre­ci­sie, bleef ik tegen de paal van de veran­da geleund staan om hem aan het werk te zien. Het was een zon­ni­ge dag en daar moest ik van pro­fi­te­ren. Ramen lap­pen was een van mijn minst favo­rie­te klus­sen, voor­al de bui­ten­kant, maar het moest gebeu­ren. Ik kon het maar beter nu doen.

Shopping Basket