Surf!

Uit­ge­ver: Gott­mer
Engel­se titel: Kook

Surf!

Chris Vick

De 15-jari­ge Sam ver­huist tegen zijn zin naar Corn­wall, waar zijn vader jaren gele­den in zee is omge­ko­men. Sam is doods­bang van water, maar om in de buurt te kun­nen zijn van zijn span­nen­de buur­meis­je Jade en haar vrien­den, die alle­maal gewel­dig kun­nen sur­fen, zet hij zich over zijn angst heen. Het duurt niet lang of hij redt zich aar­dig, ook al vin­den Sam en haar vrien­den hem maar een groen­tje: een ‘kook’. Jade is als schrik­draad waar­van je nooit weet of er stroom op staat of niet, maar Sam raakt hele­maal in haar ban. De vrien­den­groep droomt ervan ooit bij de Dui­vels­hoorns te sur­fen, een legen­da­risch eiland waar mon­ster­gol­ven zou­den zijn. Als Sam een zee­kaart in het huis van zijn oma vindt, met daar­op de Dui­vels­hoorns, grijpt hij zijn kans om indruk te maken op Jade en haar vrien­den. Maar is sur­fen bij de Dui­vels­hoorns wel zo’n goed idee?

Uit­ge­ver: Gott­mer
Engel­se titel: Kook

fragment

1

Jade zorg­de al van­af dag één voor problemen. 

Vorig jaar, op een zater­dag begin sep­tem­ber, ver­huis­den we terug naar Corn­wall. Mam, mijn zus­je Tegan en ik. 

Het was een zon­ni­ge dag, met een fris­se wind. De eer­ste dag van de herfst, of de laat­ste van de zomer. 

We reden door het dorp­je Pen­ford, en na vijf minu­ten rij­den door de hei­de­vel­den hob­bel­den we ver­der over een onver­hard pad. 

Toen we aan­kwa­men snap­te ik waar­om de huur zo laag was. Er ston­den twee oude plat­te­lands­huis­jes, door stor­men geteis­terd, met mos op de daken en ver­rot­te hou­ten kozij­nen, inge­klemd tus­sen de klif­top­pen en de hei­de. Er ston­den nog wat ste­nen muur­tjes om de scha­pen weg te hou­den en een paar lage bomen die door de wind in vreem­de vor­men waren gebo­gen, maar dat was het wel zo’n beetje. 

Een klei­ne kilo­me­ter lager ein­dig­de het land plot­se­ling aan de rand van de klif. 

Wij zou­den in het ene huis­je gaan wonen. Jade, haar vader en hun hond woon­den al in het ande­re. Ze kwa­men ’s mid­dags even langs, net toen mam de ver­hui­zer ervan pro­beer­de te over­tui­gen dat het niet haar schuld was dat de vering van zijn bus­je naar de knop­pen was door het slech­te pad. 

Jades vader stel­de zich­zelf en zijn doch­ter voor. Jade hield zich afzij­dig en liet hem pra­ten. Hij zei dat we altijd een kop­je sui­ker kon­den komen lenen, en meer van die buren­din­gen. Ik luis­ter­de ver­der niet naar hem. Ik was hard mijn best aan het doen om niet naar Jade te staren. 

Ze had lang, zwart haar. Haar ogen waren groen­blauw als de zee, glin­ste­rend in een honing­bruin gezicht. Jade straal­de, iets wat haar oude T‑shirt en spij­ker­jas­je niet kon­den verbergen. 

Ze keek me even aan met die zee­groe­ne ogen en krul­de haar mond­hoe­ken op in een flau­we glim­lach. Daar sloeg ze me mee aan de haak. 

‘Hoe oud ben je, Sam?’ vroeg haar vader. 

‘Sor­ry, wat zei u?’ vroeg ik. 

‘Hoe oud ben je?’ 

‘Vijf­tien.’

‘Aha. Dan ga je dus naar Pen­with High, net als Jade. Jul­lie kun­nen samen optrek­ken en elkaar hel­pen met huis­werk en zo.’ Hij deed wel erg enthou­si­ast. Vol­gens mij voel­de het net zo onge­mak­ke­lijk voor Jade als voor mij. Later kwam ik erach­ter dat hij me met één oog­op­slag had gekeurd en had aan­ge­no­men dat ik ‘een goe­de invloed’ op Jade zou heb­ben. Anders dan de types waar ze nor­maal gespro­ken mee omging. 

We gin­gen naar de keu­ken om thee te drin­ken en een plak van de cake te eten die ze had­den mee­ge­no­men. Mam en Jades vader, Bob, klet­sten over Corn­wall ter­wijl Jade en ik een wed­strijd­je ‘wie kan het minst zeg­gen’ deden. Maar ze leek Tegan wel te mogen. Jade gaf haar stuk­jes cake om aan de groe­ze­li­ge schaaps­hond te voeren. 

Toen ze opston­den om te gaan zei Bob: ‘Jade wil­de Tess net gaan uit­la­ten. Je zou met haar mee kun­nen gaan… O, wat dom van me. Jul­lie zijn aan het uit­pak­ken. Een ande­re keer.’ 

‘Geeft niet,’ zei mam. ‘Je mag wel gaan, Sam, maar niet te lang. Als Jade het ten­min­ste goed vindt?’ 

‘Oké.’ Voor­dat ik ook maar iets kon zeg­gen liep Jade de keu­ken al uit met haar hond. 

Jade liep recht op de heu­vel naast onze hui­zen af, met­een het pad op, als een meis­je met een missie. 

‘Waar­om zo’n haast?’ vroeg ik toen ik haar had ingehaald. 

‘Ik moet iets con­tro­le­ren.’ Ze had een lokaal accent. Maar niet heel sterk, en haar stem klonk hees. 

Een­maal boven klom­men we op een gro­te, plat­te steen en gin­gen zit­ten. Ze haal­de een pak­je siga­ret­ten uit haar zak en gebruik­te mij als wind­scherm om er een­tje op te kun­nen steken. 

Ach­ter de hei­de lag de zee, blauw met wit en glin­ste­rend. Het weer­kaats­te licht was zo fel dat ik door mijn wim­pers moest turen. Ik had de zee bij Corn­wall in geen jaren gezien, niet meer sinds de dood van pap, toen ik vier was. Ik kon me er maar wei­nig van her­in­ne­ren. Ik had niet ver­wacht dat mijn hoofd zo zou tol­len, alleen al door ernaar te kij­ken. De zee was zo uit­ge­strekt als de lucht. 

‘Mooi uit­zicht,’ zei ik. 

‘Ja, zal wel. Hou eens vast,’ zei ze en ze gaf me haar siga­ret. Ze haal­de een klei­ne ver­re­kij­ker uit haar spij­ker­jas­je, stel­de hem scherp en richt­te hem op de zee in de ver­te. Ver­der­op langs de kust stak een smal­le land­tong van klif­fen de Atlan­ti­sche Oce­aan in. Jade ver­roer­de zich niet, staar­de alleen door de ver­re­kij­ker ter­wijl ze af en toe haar siga­ret aan­pak­te. De hond lag naast haar, met haar zwart-wit­te kop op Jades schoot. 

Toen ging Jade opeens gespan­nen recht­op zit­ten, als­of ze iets had gezien. Het eni­ge wat ik zag was een smal­le streep van wit schuim dat in de ver­te tegen de klif sloeg. 

‘Waar kijk je naar?’ vroeg ik. 

‘Sein­post.’

‘Wat?’

‘Zo heet die plek.’ Ze zucht­te en stop­te de ver­re­kij­ker weer in haar zak. ‘Ik kan de gol­ven daar goed zien, daar­om heet het Sein­post. Dei­ning van onge­veer een meter. Surf je, Sam?’ 

‘Nee.’

‘Jam­mer. Ik wel.’ Ze sprong van de steen en liet me daar zit­ten met de smeu­len­de siga­ret­ten­peuk in mijn hand. 

Oké dan, zie je later, dacht ik. Maar… 

‘Kom mee!’ riep ze over haar schou­der ter­wijl ze de heu­vel af rende. 

‘Sur­fen?’ riep ik terug. Maar ze was al te ver weg om me te kun­nen horen.

Shopping Basket