opmerking4

Warm­te:
Vol­was­sen wor­den aan het ein­de van onze wereld

(Warmth: Coming of Age at the End of Our World)

Daniel Sher­rell

In Warm­te onder­zoekt een jon­ge schrij­ver en kli­maat­ac­ti­vist uit New York zijn emo­ti­o­ne­le reac­tie op de kli­maat­ver­an­de­ring die onze toe­komst over­scha­duwt (‘het Pro­bleem’). In een lan­ge brief aan zijn nog onge­bo­ren kind ver­woordt hij een moei­lijk te omschrij­ven erva­ring, die voor velen van ons her­ken­baar zal zijn. En hij doet een appèl: alleen door toe­gang te krij­gen tot onze onder­druk­te gevoe­lens van rouw over wat we ver­lie­zen, is het moge­lijk om uit een staat van ver­do­ving te komen en te doen wat nodig is om de erg­ste scenario’s te voor­ko­men. Een eer­lijk en inspi­re­rend boek dat ons de ogen opent.

Cor­res­pon­den­tie

Op 14 april 2018 stak men­sen­rech­ten­ad­vo­caat David Buc­kel zich­zelf in brand in Pro­spect Park. Hij deed dit alleen, vlak voor zons­op­komst, een kor­te ont­vlam­ming op een onbe­dui­dend gras­veld. Een fiet­ser vond zijn lichaam in een ver­kool­de cir­kel, al moest ze er meer­de­re keren langs­rij­den om zeker te zijn van wat ze had gezien. Later ver­tel­de ze ver­slag­ge­vers: ik kon het maar niet geloven. 

De zelf­do­ding was zorg­vul­dig gepland, hof­fe­lijk zelfs. Buc­kel had de grond om hem heen vrij­ge­maakt zodat het vuur zich niet ver­der zou ver­sprei­den. ‘Mijn excu­ses voor de puin­hoop,’ stond er op een brief­je dat de poli­tie in een win­kel­wa­gen­tje naast de plaats van han­de­ling aan­trof. Een lan­ge­re brief was naar de pers gemaild. Dit was een ‘vroeg­tij­di­ge dood door fos­sie­le brand­stof,’ stond erin. ‘Het is een afspie­ge­ling van wat we ons­zelf aandoen.’ 

Ik was het groot­ste deel van die dag aan de ande­re kant van de stad in Cen­tral Park. Ik weet nog dat het prach­tig weer was en dat de meren bezaaid waren met roei­bo­ten, die in klei­ne scho­len heen en weer scheer­den ach­ter het wil­gen­gor­dijn. Ik vond een plek­je op een heu­vel en keek toe hoe de rond­weg werd over­spoeld door men­sen. Ergens bui­ten beeld liet een stop­licht hen in kor­te spurts door: de toe­ris­ten in rij­tui­gen, de fiet­sers, de ska­ters met hun lan­ge, soe­pe­le sla­gen. Ze pas­seer­den plots en snel, ver­vol­gens was de weg even leeg, en dan sprong het onzicht­ba­re stop­licht ver­moe­de­lijk weer op groen en stroom­de de vol­gen­de golf langs. Het tafe­reel deed me den­ken aan een schil­de­rij van Brue­gel dat ik in een geschie­de­nis­boek had gezien, een land­schap van een win­ters dorp. Het schil­de­rij is een uit­zicht van­af een heu­vel op een val­lei: je ziet jagers en hout­hak­kers aan het werk, men­sen die kris­kras over een vij­ver schaat­sen, schoor­ste­nen die roken in de sneeuw. Vol­gens het school­boek zou dit schil­de­rij het begin van de renais­san­ce mar­ke­ren. Als­of er niet meer nodig was dan een klein uit­kijk­punt, de juis­te stroom men­sen, om dit hele his­to­ri­sche keer­punt te vangen. 

Na een tijd­je viel ik in slaap in het gras, en toen ik weer wak­ker werd, was de tem­pe­ra­tuur gedaald en waren de pick­nick­bij­een­kom­sten opge­bro­ken. De wei­ni­ge men­sen die er nog waren, leken zich naar huis te haas­ten. Ik liep terug door het park naar de oost­kant, langs de slui­ten­de musea, langs de dure boe­tieks die de musea imi­teer­den, met een paar hand­tas­sen in ver­lich­te gla­zen vitri­nes. Ver­vol­gens de trap af naar de metro, die me terug­bracht naar de Bronx. Pas toen ik mijn sche­mer­don­ke­re appar­te­ment bin­nen­stap­te, zag ik het nieuws over Pro­spect Park, las het vluch­tig door op mijn tele­foon en scrol­de lang­zaam terug toen tot me door­drong wat ik zojuist had gelezen. 

Wat me nog meer raak­te dan het tra­gi­sche voor­val zelf – en het raak­te me abso­luut, een gelei­de­lij­ke rea­li­sa­tie, waar­door ik die avond geen eten klaar­maak­te, me geen raad wist nadat ik me ten slot­te van het scherm­pje had los­ge­rukt en uit­ein­de­lijk naar bed ging zon­der het licht zelfs maar aan te heb­ben gedaan – was de snel­heid waar­mee de gebeur­te­nis, deze kort­ston­di­ge geweld­da­dig­heid, weer opging in de bedrij­vig­heid van het park. In fei­te gewoon werd ver­ge­ten. Bui­ten de afzet­lin­ten van de poli­tie, zo meld­den de kran­ten, werd er weer als van­ouds gebar­be­cued, wer­den de pot­jes kick­ball her­vat. Deel­ne­mers aan een wan­de­ling voor het goe­de doel lie­pen ijve­rig voor­bij in paar­se t‑shirts waar­op in schuin­schrift werd voor­speld dat alvlees­klier­kan­ker nu snel de wereld uit zou zijn. Houd hoop, stond er op de shirts. Met ande­re woor­den: het leven was ver­der­ge­gaan. Wat had het anders kun­nen doen, vraag ik je, niet geheel retorisch. 

Ach­ter­af had ik het irra­ti­o­ne­le idee dat ik een bepaal­de rim­pe­ling had moe­ten voe­len toen het gebeur­de, een sub­tie­le schok­golf die van zijn park naar het mij­ne trok, als het lui­den van een klok om het ene uur van het vol­gen­de te schei­den. De push­be­rich­ten had­den zich vast al in mijn zak opge­sta­peld, maar ik had mijn tele­foon op stil gezet, waar­door ik zelfs niet die her­haal­de­lij­ke tril­lin­gen had gevoeld die ik met ram­pen was gaan asso­ci­ë­ren. Ter­wijl de man in brand stond – ter­wijl de vlam­men zijn huid ver­kool­den en zijn bloed ver­damp­ten – had ik hele­maal niets gevoeld. Het was een prach­ti­ge dag geweest, en zoals ik al zei, had ik het groot­ste deel ervan lig­gen slapen.

Shopping Basket