wij duitsers

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: We Ger­mans
Recen­sies:

Wij Duitsers

Alexander Starritt

Wan­neer de jon­ge Schot Call­um zijn Duit­se opa vraagt hoe het was om aan de fou­te kant gevoch­ten te heb­ben, wordt zijn vraag in eer­ste instan­tie beant­woord met stil­le irri­ta­tie. Maar na diens dood vindt Call­um een lan­ge brief, aan hem gericht. Die brief is dit boek, waar­in Call­ums groot­va­der ver­telt over de laat­ste dagen aan het oost­front – waar­in hij niet alleen weet dat Duits­land de oor­log aan het ver­lie­zen is, maar ook dat dat terecht is. Hij schrijft over zijn leven te mid­den van ver­schrik­kin­gen en cha­os én over de enor­me moed die hij om zich heen zag. Hij stelt zich­zelf de vraag in wel­ke mate hij ver­ant­woor­de­lijk is voor de situ­a­tie waar­in hij ver­keer­de. Ter­wijl hij een ant­woord op deze vraag pro­beert te vin­den, ver­telt Call­um wat voor man zijn opa gewor­den is in de zeven­tig jaar na de oor­log. Wij Duit­sers is een intens men­se­lij­ke roman die vra­gen stelt over schuld, schaam­te en ver­ant­woor­de­lijk­heid – vra­gen die tot op de dag van van­daag rele­vant zijn.

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: We Ger­mans
Recen­sies: De Standaard (pdf)Het ParoolIn de boekenkastMezza (pdf)Nederlands Dagblad (pdf)NRC ∗ Trouw 

Uit­ge­ver: Ambo|Anthos
Engel­se titel: We Ger­mans
Recen­sies:

fragment

Mijn bes­te Callum,

Het is nu zeven­tien maan­den gele­den dat we elkaar voor het laatst zagen. Ik hoop van har­te dat we elkaar nog zeker één keer zul­len zien. Ik weet dat je het druk hebt, maar kom nog eens op bezoek. Wan­neer het jou uit­komt – als je er maar wel aan denkt om het me een paar weken van tevo­ren te laten weten zodat ik me kan voorbereiden. 

Ik hoop ook van har­te dat ons gesprek tij­dens je vori­ge bezoek je niet heeft ont­moe­digd. Op het moment zelf kwam het niet bij me op, maar inmid­dels besef ik dat je je mis­schien wel schul­dig voelt. Al heb­ben we elkaar nooit vaak gebeld, dus wie zal het zeg­gen. Het doet er ook niet toe. 

Ik wil je niet nog ver­der ont­moe­di­gen, maar ik had wel door wat je bedoe­ling was: mijn ver­ha­len over Rus­land horen voor­dat ik te ver­ward raak om ze te kun­nen ver­tel­len. Dat is geen pret­tig besef, en ik moet toe­ge­ven dat het me irri­teer­de. Maar bij nader inzien rea­li­seer ik me dat je rede­na­tie klop­te: ik ben inder­daad op een leef­tijd dat men­sen heel snel kun­nen afglij­den naar – laten we zeg­gen, naar een plek waar men­sen geen ver­ha­len meer vertellen. 

Maar je vra­gen waren rond­uit bela­che­lijk – onge­mak­ke­lijk, zoge­naamd naïef. Je had jezelf eens moe­ten horen, hoe je rond­draai­de om wat je eigen­lijk wil­de vra­gen: heb je vre­se­lij­ke din­gen gezien? Laat ik daar dan nu ant­woord op geven: ja, ik heb vre­se­lij­ke din­gen gezien. En: heb je vre­se­lij­ke din­gen gedáán? Dat valt moei­lijk te zeg­gen, maar zeker niet de din­gen die jij vermoedt. 

Waar ik me over ver­baas: denk je niet dat je moe­der dezelf­de vra­gen stel­de toen ze zo oud was als jij? Of dat die vra­gen niet steeds opnieuw kwa­men boven­drij­ven, als bal­len in de soep, van­af het moment dat ik was terug­ge­keerd? Je moe­ders gene­ra­tie was er min­der beleefd over. En terecht, moet ik bena­druk­ken. Het zijn geen beleef­de vragen. 

Maar ook als ik je wel een fat­soen­lijk ant­woord had wil­len geven toen je hier was, dan nog had ik dat niet gekund. Je moet begrij­pen dat zelfs zul­ke extre­me erva­rin­gen je niet voor altijd hel­der voor de geest blij­ven staan. 

Wat je op den duur doet, wat ik op den duur deed, is een bewoor­ding vin­den die deze veel­be­wo­gen jaren ver­sim­pelt tot iets wat je tij­dens de kof­fie kunt ver­tel­len, en dan her­in­ner je je die bewoor­ding in plaats van de zwij­gen­de figu­ren daar­ach­ter. Ik zei vaak dat het een wre­de tijd was om door te maken, maar dat het voor som­mi­ge men­sen nog vele malen erger was, zoals we alle­maal weten. En dat we dank­baar moe­ten zijn dat we nu in zo’n vre­di­ge tijd leven. 

Deze pla­ti­tu­des ont­staan om de flau­we en bana­le reden dat je niet meer elke dag aan de jaren veer­tig wilt terug­den­ken. Je wilt gewoon een kop kof­fie drin­ken en een aan­ge­naam gesprek voe­ren, zoals ieder ander – mis­schien nog wel meer dan ande­re men­sen. En als wij als over­le­ven­den er wel over pra­ten, en dat doen we steeds meer nu we oud zijn, dan pra­ten we over Hit­ler en de wereld­ge­schie­de­nis, niet over ons­zelf. Soms klinkt mijn wijn­club­je meer als een stel rekes­tran­ten die ieder een twee­re­ge­lig amen­de­ment aan het von­nis der geschie­de­nis wil­len toevoegen. 

Dus toen je me aan je stun­te­li­ge ver­hoor onder­wierp, kwam er zo gauw niets uit die jaren naar boven. Tegen de tijd dat ik erover nadacht, en niet meer over hoe boos je me had gemaakt, was je alweer terug in Lon­den, naar je eigen leven, waar je dit gesprek met je groot­va­der mis­schien allang weer was vergeten. 

Ik, daar­en­te­gen, heb zoveel tijd dat ik niet weet wat ik ermee aan moet. Althans, geme­ten in dagen, niet in jaren. Ik rea­li­seer­de me onlangs weer hoe jong je oma was toen ze over­leed. Twee­ën­ze­ven­tig! Bij­na ieder­een die ik ken is inmid­dels ouder, met uit­zon­de­ring van mijn fami­lie en de men­sen die hier wer­ken. Ik dacht echt dat we meer tijd samen zou­den hebben. 

Maar goed: veel tijd, veel stil­te en niets te doen. En toen jij mijn geheu­gen een­maal had aan­ge­zwen­geld, begon het lang­zaam, hor­tend en sto­tend, te draaien.

© 2021 Ambo|Anthos

Shopping Basket