Uit­ge­ver: Ambo Anthos

Oor­spron­ke­lij­ke ti­tel: Fear­less

On­ver­schrok­ken

Fi­o­na Higgins

Zes men­sen ont­moe­ten el­kaar op Bali bij een flam­boy­an­te goe­roe voor een cur­sus ‘Over­win je angst’. Hun ach­ter­gron­den zijn even di­vers als de din­gen waar ze bang voor zijn, die va­ri­ë­ren van angst voor vlie­gen, spre­ken in het open­baar, hoog­tes, in­ti­mi­teit, fa­len en de dood. Ter­wijl de groep de no­di­ge uit­da­gin­gen moet door­staan, groei­en er war­me vriend­schap­pen en bloeit de lief­de op. Maar een week vol zon en warm­te slaat in één mo­ment om wan­neer het on­denk­ba­re ge­beurt: de groep be­landt in le­vens­ge­vaar en ie­ders moed wordt tot het ui­ter­ste getest.

Uit­ge­ver: Ambo Anthos

Oor­spron­ke­lij­ke ti­tel: Fear­less

Het vlieg­tuig be­woog met on­na­tuur­lij­ke, arit­mi­sche schok­ken, als­of het moest hoes­ten. De riem sneed in haar buik en druk­te haar li­chaam te­gen de stoel.

Vlie­gen

Ja­nel­les ogen vlo­gen open toen het vlieg­tuig schokte.

Niet dat ze lag te sla­pen, iets wat nor­ma­le men­sen het liefst le­ken te doen in een vlieg­tuig. Nee, ze had ge­woon haar ogen dicht­ge­daan en zich over­ge­ge­ven aan het ver­do­ven­de ef­fect van de drie wodka’s die ze voor de vlucht op Mel­bour­ne Air­port ach­ter­over had ge­sla­gen, met daar­ach­ter­aan het kal­me­rings­mid­del dat haar dok­ter haar puur voor nood­ge­val­len had voorgeschreven.

Het ‘rie­men vast’-teken bo­ven haar hoofd was ver­licht. Dat vond ze wel een noodgeval.

Ja­nel­le deed haar ogen weer dicht en pro­beer­de be­wust haar adem­ha­ling te ver­tra­gen. Dat was een tech­niek die ze op de uni­ver­si­teit had ge­leerd, een me­tho­de om met exa­men­stress om te gaan. Bij elke uit­a­de­ming tel­de ze ach­ter­uit van tien tot één en stel­de zich voor dat ze op een vre­di­ge plek was. Meest­al een tro­pisch ei­land – zo­als op de foto’s die ze van haar be­stem­ming, Bali, had ge­zien – met de rit­mi­sche ge­lui­den van gol­ven die op het strand rol­den, het rui­sen van de lan­ge bla­de­ren van ko­kos­pal­men in de wind en het lome ge­tjirp van kre­kels, wat haar lang­zaam tot een kal­me in­ner­lij­ke rust bracht.

Maar dit keer werd haar kal­me­rings­oe­fe­ning ver­stoord door tur­bu­len­tie. De in­ter­com kraak­te en de stem van de ge­zag­voer­der richt­te zich tot de pas­sa­giers. ‘Da­mes en he­ren, hier een up­da­te van­uit de cock­pit. We na­de­ren zwaar weer en vra­gen alle pas­sa­giers en crew om di­rect naar hun plaats te gaan en de stoel­rie­men vast te maken.’

Ze had een he­kel aan dat eu­fe­mis­me. Het was nooit zo­maar zwaar weer. De ge­zag­voer­der was nog niet uit­ge­spro­ken of het vlieg­tuig be­gon te slingeren.

Ja­nel­le staar­de naar haar schoot en zou wil­len dat ze dit tic­ket nooit had ge­boekt. Ze kon zich nog goed her­in­ne­ren hoe ze am­per twee we­ken ge­le­den ach­ter haar com­pu­ter had zit­ten dub­ben over data en ver­trek­tij­den, waar­bij ze let­te op on­heil­spel­len­de vlucht­num­mers die deel­baar wa­ren door der­tien en zich bij elke vlucht af­vroeg of deze mis­schien ver­doemd was. Er wa­ren geen stoe­len meer be­schik­baar in het staart­deel, dat sta­tis­tisch ge­zien het vei­ligst was, dus had ze ge­ke­ken of er nog iets vrij was in de rij­en naast de nood­uit­gan­gen bij de vleu­gels, maar ook die stoe­len wa­ren al be­zet. Ge­frus­treerd had ze een stoel op een rij zo ver mo­ge­lijk naar ach­te­ren ge­ko­zen, tus­sen twee al ge­re­ser­veer­de plekken.

Het vlieg­tuig viel in­eens een stuk om­laag en een aan­tal pas­sa­giers slaak­te een gil. De ge­zet­te Eu­ro­pe­se man die naast haar op de stoel bij het raam zat leg­de zijn krant neer. Tra­nen van pa­niek prik­ten in Ja­nel­les ogen.

Het is ge­woon het­zelf­de als over een hob­be­li­ge weg rij­den, hield ze zich­zelf voor. Het vlieg­tuig is ont­wor­pen om dit aan te kunnen.

‘Par­don.’ De vrouw aan haar an­de­re kant sprak haar aan. Ze leek be­hoor­lijk on­rus­tig. ‘Ik moet heel no­dig naar de wc. Zou u mijn baby even wil­len vast­hou­den? Ik zal opschieten.’

Ja­nel­le keek om­laag naar de klei­ne baby die in de ar­men van de vrouw lag te sla­pen. ‘Maar het “rie­men vast”-teken is verlicht.’

‘Als­tu­blieft?’ De vrouw glim­lach­te geforceerd.

Ja­nel­le was hier niet blij mee. Het was al moei­lijk ge­noeg om zelf rus­tig te blij­ven op een vlucht, laat staan om ook nog een baby te troos­ten. Maar uit me­de­lij­den met de vrouw knik­te ze toch.

De vrouw klik­te het ba­by­har­nas los en maak­te het weer vast aan Ja­nel­les riem, zo­dat het kind aan haar was ge­ze­kerd. Zo­dra zijn moe­der op­stond, deed de baby zijn ogen open. Ja­nel­le zag zijn lip tril­len, maar het was te laat om de vrouw te­rug te roe­pen. Ze wan­kel­de al door het gang­pad ter­wijl ze zich aan de stoe­len vasthield.

‘Me­vrouw.’ Een streng kij­ken­de ste­war­dess riep de vrouw en liep haar ach­ter­na. ‘U moet blij­ven zitten.’

De vrouw ge­baar­de naar het toi­lethok­je en stap­te erin, waar­na ze de deur ach­ter zich op slot deed. De ste­war­dess klau­ter­de te­rug naar haar plaats en ging weer zit­ten met haar ge­zicht naar de pas­sa­giers, zon­der ie­mand recht in de ogen te kijken.

Ja­nel­le keek even om­laag naar de baby. Die staar­de ern­stig te­rug, mis­schien op zoek naar iets be­kends. Ze had geen idee of het een jon­gen of meis­je was, of hoe­veel maan­den het kind was. Ze had geen woord met de moe­der ge­wis­seld. Ze was veel te druk ge­weest met haar adem­ha­ling om een praat­je te ma­ken. Maar nu zat ze hier met een naam­lo­ze, kwets­ba­re baby op schoot tij­dens de erg­ste tur­bu­len­tie die ze ooit had meegemaakt.

Het vlieg­tuig slin­ger­de en schom­mel­de. Een ba­ga­ge­vak klap­te open en de in­houd viel op de pas­sa­giers die er­on­der za­ten. Een vrouw kreun­de en greep naar haar hoofd, maar Ja­nel­le kon niet zien of ze ern­stig ge­wond was ge­raakt. Een man vlak­bij sloeg een kruis en het kind naast hem barst­te in tra­nen uit.

‘Wat ge­beurt er, papa?’ krijs­te het kind.

Ja­nel­le boog zich naar het raam en pro­beer­de zich te ori­ën­te­ren, maar ze zag al­leen een de­ken van drei­gen­de, grijs­groe­ne wol­ken. De mo­to­ren brul­den en le­ken op vol­le toe­ren te draaien.

Het vlieg­tuig schok­te wild en Ja­nel­le werd dui­ze­lig, had geen idee meer of ze om­hoog- of om­laag­gin­gen. Een man aan de an­de­re kant van het gang­pad moest over­ge­ven en er spet­ter­de wat op Ja­nel­les knie­ën. Ze hield de baby ste­vig vast en voel­de gal op­ko­men in haar keel. Een man met een In­do­ne­sisch ui­ter­lijk een paar rij­en ver­der­op be­gon hard­op te bid­den en her­haal­de steeds de­zelf­de woor­den. ‘Al­la­hu Ak­bar… Ya ampun… Al­la­hu Akbar.’

Het vlieg­tuig be­woog met on­na­tuur­lij­ke, arit­mi­sche schok­ken, als­of het moest hoes­ten. De riem sneed in haar buik en druk­te haar li­chaam te­gen de stoel. De baby huil­de in zijn ba­by­har­nas, dat als een vreem­de na­vel­streng aan Ja­nel­le vastzat.

Ja­nel­le schrok van een enor­me knal en slaak­te een kreet. Een scher­pe, door­drin­gen­de geur ver­spreid­de zich door de ca­bi­ne. Ze keek ge­jaagd om zich heen, met tui­ten­de oren, maar de ver­lich­ting knip­per­de even en ging toen uit. Pas­sa­giers be­gon­nen te gillen.

O, god.

Ja­nel­le er­voer een ge­voel van ge­wicht­loos­heid, een mis­se­lijk­ma­ken­de druk in haar oren.

In­eens scheen er een ver­blin­den­de zon­ne­straal door het raam­pje toen het vlieg­tuig uit de wol­ken kwam. De tur­bu­len­tie werd met­een min­der en Ja­nel­le adem­de op­ge­lucht uit.

 

Frag­ment On­ver­schrok­ken — Fi­o­na Hig­gins
© 2017 Ambo Anthos